Rechtspraak
Raad van State
2022-01-26
ECLI:NL:RVS:2022:249
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,463 tokens
Inleiding
202000977/1/R4.
Datum uitspraak: 26 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te Hagestein, gemeente Vijfheerenlanden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 januari 2020 in zaak nr. 18/4259 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden.
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2018 heeft het college [appellante] een last onder dwangsom opgelegd in verband met overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) op het perceel [locatie 1] in Hagestein.
Bij besluit van 11 oktober 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vennoot] en mr. C.R. Post, en het college, vertegenwoordigd door A. den Braven, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] exploiteert op het perceel [locatie 1] en [locatie 2] in Hagestein een [bedrijf]. Op het perceel zijn twee bestemmingsplannen van toepassing, namelijk "Landelijk gebied 2009" en "Dorpen". Bij een controle op 29 maart 2018 zijn op het deel waar het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" geldt onder meer opslagmateriaal en bouwwerken aangetroffen wat volgens het college strijdig is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo en de bestemming "Agrarisch". Het college heeft [appellante] gelast de bouwwerken, de verhardingen, de paardenbakken, de lichtmasten en het opslagmateriaal op de gronden met de bestemming "Agrarisch" te verwijderen. Daarbij heeft het college een dwangsom opgelegd van in totaal € 40.000,00 ineens. [appellante] heeft onder druk van de dwangsom aan de last gevolg gegeven. Bij een controle op 24 oktober 2018 is vastgesteld dat de overtredingen zijn beëindigd. Als vastgesteld wordt dat de last onder dwangsom onrechtmatig was, wil [appellante] de oude situatie terugbrengen. De rechtbank heeft de last onder dwangsom in stand gelaten. Hiertegen richt zich het hoger beroep.
Ter zitting heeft [appellante] haar verzoek om het college te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 78.750,00 ingetrokken.
2. Het betoog van [appellante] dat zijn paardenbakken met de daarbij geplaatste lichtmasten hobbymatig in gebruik waren en onder artikel 3 van de regels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" zijn toegelaten, zodat daartegen niet handhavend kon worden opgetreden, slaagt niet. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat van de paardenbakken op het perceel van [appellante] bedrijfsmatig en niet hobbymatig gebruik werd gemaakt. Dit bedrijfsmatige gebruik volgt uit de verklaringen van [appellante] ter zitting bij de rechtbank en vindt bevestiging in de genoemde paardenhouderij in het hogerberoepschrift en het ter zitting bij de Afdeling genoemde aantal van acht paardenboxen waarvan [appellante] er zes heeft afgebroken. Uit de regels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" volgt dat een paardenhouderij geen agrarisch bedrijf is. Ingevolge artikel 1.9 is een agrarisch bedrijf immers gericht op het voortbrengen van producten. [appellante] beschikt bovendien ook niet over een agrarisch bouwvlak. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bedrijfsmatige gebruik van de paardenbakken strijdig is met de bestemming "Agrarisch". Voor zover [appellante] heeft gewezen op andere paardenbakken in de gemeente waartegen niet wordt gehandhaafd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat het daar ook om bedrijfsmatig gebruik gaat. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat niet is gebleken van gelijke situaties.
3. Ook het beroep op de specifieke gebruiksregels in artikel 3.5 van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" gaat eraan voorbij dat [appellante] ter plaatse geen agrarisch bedrijf uitoefent. Op de gronden zijn verhardingen toegestaan als een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend. Nu dat niet het geval is, zijn verhardingen voor een transportbedrijf niet toegelaten. Evenmin maakt de genoemde bepaling het [appellante] mogelijk op de aldus bestemde gronden hooi op te slaan en materiaal te stallen nu zij ter plaatse geen agrarisch bedrijf uitoefent.
4. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2012:BY1728, over het op 14 december 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" volgt dat het gebruik van de verharde strook grond aan de zuidkant van het perceel voor het [bedrijf] is toegestaan onder het overgangsrecht. Dit betreft een strook grond tot 70 m vanaf de Achterweg. Deze strook grond is volgens [appellante] niet goed verwerkt in het bestemmingsplan "Dorpen" omdat daar de grens voor het bedrijfsperceel is gelegd op een afstand van 34 m vanaf de Achterweg.
Dit leidt er, aldus [appellante], onder meer toe dat de last ziet op het weghalen van bouwwerken die al decennialang op het perceel aanwezig zijn. Er zijn gebouwen die vielen onder het bestemmingsplan "Hagestein Dorp 2004". Deze staan op 30 m vanuit de voorgevel van het kantoor. Over die opstallen zijn afspraken gemaakt die het college heeft neergelegd in een brief van 12 augustus 2010. [appellante] betoogt dat zij erop mocht vertrouwen dat die bouwwerken zouden kunnen worden gehandhaafd.
4.1. Met haar betoog gaat [appellante] eraan voorbij dat het bestemmingsplan "Dorpen" later is vastgesteld dan het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009". [appellante] heeft tegen het op 21 april 2015 vastgestelde bestemmingsplan "Dorpen" beroep ingesteld. Zij heeft daarbij betoogd dat de plangrens verder in zuidelijke richting moet worden gelegd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3979, over dat bestemmingsplan volgt dat dit betoog is verworpen. Dat het plangebied bij het perceel van [appellante] in figuur 1.2 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan "Dorpen" ruimer was dan in het vastgestelde plan, is daarom niet relevant. Het plan is voor zover het betreft de planbegrenzing aan de zuidzijde van het perceel van [appellante] gewijzigd vastgesteld en die begrenzing staat in rechte vast. Evenmin is relevant dat de opstallen buiten de gronden met de bestemming "Gemengd" uit het bestemmingsplan "Dorpen" maar binnen een afstand van 30 m vanaf de voorzijde van het kantoor vielen onder het bestemmingsplan "Hagestein Dorp 2004". Nog daargelaten dat het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel voor het perceel [locatie 1]a uit dat bestemmingsplan, is dat niet het geldende bestemmingsplan. In haar uitspraak van 23 december 2015 heeft de Afdeling overwogen dat de raad in het bestemmingsplan een zodanige begrenzing heeft gekozen dat alle gronden van [appellante] waarvan het gebruik voor het [bedrijf] is toegestaan of door het overgangsrecht wordt beschermd, binnen de planbegrenzing vallen. Dit is inclusief een strook grond met een diepte van ongeveer 7,5 m die in het bestemmingsplan "Dorpen" de bestemming "Gemengd" heeft gekregen. In wat [appellante] nu, in het verlengde van de eerdere procedures, heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om nu te oordelen dat de bedrijfsvoering van [appellante] op die gronden wel onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2009" valt.
Dit betekent dat de rechtbank er terecht van is uitgegaan dat het bedrijfsmatige gebruik van de gronden en opstallen op een afstand van meer dan 34 m vanuit de voorgevelrooilijn van de woning niet rechtstreeks of via het overgangsrecht is toegelaten. Daarbij komt dat voor de opstallen geen bouwvergunning is verleend. Het overgangsrecht leidt er niet toe dat gebouwen zonder bouwvergunning worden gelegaliseerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1719). [appellante] kan ook niet met recht een beroep doen op het vertrouwensbeginsel om de opstallen of het gebruik daarvan of van de gronden ongemoeid te laten. Het college heeft in zijn brief van 7 januari 2010 vermeld dat de kans bestaat dat het gebouwde teruggebracht dient te worden in de oorspronkelijk vergunde situatie. Ook uit de brief van 12 augustus 2010 valt niet op te maken dat het college daarin zonder voorbehoud heeft toegezegd niet langer tegen de opstallen op te treden.
Het betoog faalt.
5. Ook het betoog van [appellante] dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat het op 1 november 2017 een gedoogbeslissing heeft genomen, faalt. [appellante] heeft tegen die beslissing bezwaar gemaakt omdat gedogen volgens haar niet aan de orde was. Het college heeft de beslissing daarop op 30 januari 2018 ingetrokken en het handhavingstraject vervolgd. Een gedoogbeslissing neemt het illegale karakter van de activiteiten niet weg. Met de gedoogbeslissing heeft het college ook niet bij [appellante] de verwachting gewekt dat het niet meer handhavend zou optreden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2022
371