Rechtspraak Raad van State 2022-05-11
ECLI:NL:RVS:2022:1353
Bestuursrecht
202102952/1/A2. Datum uitspraak: 11 mei 2022 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad), 2. [appellant sub 2], kantoorhoudend te Amstelveen, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2021 in zaak nr. 20/156 in het geding tussen: [appellant sub 2] en de raad. Bij besluit van 4 maart 2019 heeft de raad de bij besluit van 28 januari 2015 aan [partij] verleende toevoeging met kenmerk 4LA7528 ingetrokken. Bij besluit van 25 november 2019 heeft de raad het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat de op 28 januari 2015 verleende toevoeging in stand blijft. Bij uitspraak van 30 maart 2021 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 november 2019 vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de raad hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De raad heeft een zienswijze gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2022. Namens de raad is verschenen mr. C.W. Wijnstra. Verder is [appellant sub 2] verschenen, bijgestaan door mr. X. Wentink, advocaat te Amstelveen. Het door de Raad buiten beschouwing te laten vermogen (in 2019) is in dit geval voor de resultaatbeoordeling de helft van € 30.360 dus minder dan € 15.180. De man houdt in dit geval de toevoeging, omdat de eigen woning in box 1 valt en in box 1 alleen het inkomen wordt getoetst. De vrouw heeft vermogen boven de norm ontvangen en haar toevoeging wordt daarom ingetrokken." "5.4. Echtscheiding en overbedeling met schulden" De man krijgt een aandelenpakket toebedeeld, met een waarde van € 40.000 en een huwelijkse schuld van € 20.000. Wegens overbedeling moet de man aan de vrouw € 10.000 betalen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van de raad voor rechtsbijstand gegrond; II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2021 in zaak nr. 20/156; IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellant sub 2] ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, mr. B.J. Schueler en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Van Zanten griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022 97-921 Inleiding 1. Bij besluit van 28 januari 2015 heeft de raad een toevoeging verleend voor het bijstaan van [partij] in een echtscheidingsprocedure. [partij] werd bijgestaan door [appellant sub 2]. De echtscheiding is op 25 oktober 2017 uitgesproken. Op grond van de echtscheidingsbeschikking heeft [partij] recht op een opbrengst van € 18.965,27, bestaande uit de helft van het saldo van diverse bankrekeningen en de helft van de waarde van een lijfrente- en een beleggingsverzekering. Uit de echtscheidingsbeschikking volgt verder dat [partij] de echtelijke woning toebedeeld wenste te krijgen, maar dat zij moest onderzoeken of zij de financiering rond kon krijgen. Op 18 oktober 2018 heeft [appellant sub 2] aan de raad het financiële resultaat doorgegeven van de echtscheidingsprocedure. Dat resultaat bedraagt volgens [appellant sub 2] meer dan € 10.000,00, te weten € 50.000,00, omdat [partij] onder andere recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning, spaartegoeden en polissen. Uit de notariële akte van partiële verdeling van 15 november 2018 volgt dat de openstaande hypothecaire schuld van de woning (na verrekening met de opbrengst van de beleggingsrekening) € 301.582,17 bedroeg en dat [partij] de woning tegen de taxatiewaarde (€ 425.000,00) heeft verkregen. [partij] heeft daarvoor een bedrag van € 61.708,92 aan haar ex-partner moeten betalen. Besluitvorming 2. Bij het besluit van 4 maart 2019 heeft de raad de toevoeging voor het bijstaan van [partij] ingetrokken omdat het behaalde financiële resultaat de grens voor gesubsidieerde rechtsbijstand overschrijdt. Bij het besluit van 25 november 2019 heeft de raad, naar aanleiding van het advies van de bezwaarcommissie van 1 november 2019, het door [partij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard. De commissie heeft in haar advies overwogen dat het gemeenschapsvermogen is bepaald in de beschikking van 25 oktober 2017 en in een naderhand opgestelde akte van partiële verdeling. De commissie heeft op basis daarvan vastgesteld dat [partij] een opbrengst van € 18.965,27 uit de echtscheidingsprocedure heeft verkregen. Tevens heeft de commissie vastgesteld dat daar een schuld tegenover staat ten opzichte van de ex-partner ter hoogte van de helft van de openstaande hypotheekschuld (zijnde de overwaarde voor het overnemen van de echtelijke woning). Op grond hiervan heeft de commissie geconcludeerd dat er geen resultaat behaald is in de zin van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). De schuld ten aanzien van de ex-partner van [partij] wordt, op grond van het beleid van de raad, gesaldeerd met de eerder genoemde opbrengst van € 18.965,27. Na verrekening met de (positieve) opbrengst van € 18.965,27, resteert een gesaldeerde overbedeling voor [partij] van € 42.743,65 dan wel een bedrag van € 42.681,99 zoals genoemd in de nota van afrekening. Dit bedrag, zijnde een huwelijkse schuld, moet [partij] voldoen aan haar ex-partner ter verkrijging van de woning. Daarmee is naar het oordeel van de commissie een negatief resultaat van circa € 43.000,00 ontstaan. [appellant sub 2] is hiertegen in beroep gegaan. Juridisch kader 3. Op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb wordt een toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken als de rechtzoekende op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging is verleend een vordering met betrekking tot een geldsom heeft ter hoogte van tenminste 50% van het heffingvrij vermogen. In de werkinstructie ‘Resultaatbeoordeling’ staat onder het kopje ‘berekening resultaat’ het volgende: "1. Er moet een directe relatie zijn tussen de verleende rechtsbijstand en de opbrengst. Je houdt geen rekening met ander vermogen, positief of negatief. 2. En er moet sprake zijn van een geldsom of een vordering met betrekking tot een geldsom. Het resultaat is onafhankelijk van oorsprong, rechtstitel of bestemming van de opbrengst. Als resultaat van de zaak telt onder meer mee: (...) - bij echtscheiding: opbrengst van de verkoop van de woning, ook als de woning al tijdens de echtscheidingsprocedure is verkocht; (...) Roerende en onroerende zaken die de rechtzoekende ontvangt tellen niet mee voor de resultaatbeoordeling. Bijvoorbeeld: auto, caravan, meubels, sieraden, antiek, woning, grond, pand, etc." In de bijlage worden onder andere de volgende voorbeelden gegeven: "2. Echtscheiding en koopwoning: één partij wordt uitgekocht. Hoe kan de resultaatbeoordeling dan plaats vinden? Na echtscheiding blijft de man wonen in de voormalig echtelijke woning en koopt de vrouw uit voor een bedrag van € 40.000. Mevrouw gaat woonruimte huren of koopt een andere woning. 7. Het hoger beroep van de raad is gegrond. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. 8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.