Rechtspraak
Raad van State
2022-05-02
ECLI:NL:RVS:2022:1270
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
673 tokens
Inleiding
202201619/1/V3.
Datum uitspraak: 2 mei 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 maart 2022 in zaak nr. NL22.2678 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 februari 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 maart 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in grief 1 aanvoert over het oordeel van de rechtbank over de wijze waarop aan het toetsingskader uit het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478, toepassing moet worden gegeven, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk onder 3.3 van haar uitspraak terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen dat het moet gaan om nieuwe elementen of bevindingen die de kans voor de vreemdeling om in aanmerking te komen voor internationale bescherming aanzienlijk groter maken en dat enig verband met de vluchtmotieven in dat verband niet voldoende is. De Afdeling neemt de motivering onder 3.3 over, met dien verstande dat het hier niet gaat om de tweede stap, maar om de tweede fase van de eerste stap (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208).
2. De grieven 2, 3 en 4 leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Steendijk
voorzitter
w.g. Bechinka
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2022
371