Rechtspraak
Raad van State
2020-12-01
ECLI:NL:RVS:2020:2831
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
892 tokens
Inleiding
202005218/1/V1.
Datum uitspraak: 1 december 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 september 2020 in zaak nr. NL20.15612 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 1.400,00.
Bij uitspraak van 18 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep deels gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarin de hoogte van de dwangsom is vastgesteld, en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 13.900,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 13.900,00, voor het niet tijdig uitvoering geven aan de bij een uitspraak van 28 januari 2020 door de rechtbank opgelegde nadere termijn. Het standpunt dat de staatssecretaris in het besluit heeft ingenomen over de verschuldigdheid en hoogte van de aan die uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, is geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Het is dus geen besluitonderdeel waartegen de vreemdeling in beroep kan gaan. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, onder 7. Voor het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van de nadere dwangsom moet de vreemdeling zich tot de burgerlijke rechter wenden; zie de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1025, onder 8.1. De vreemdeling gaat met het betoog over de omvang van het geding eraan voorbij dat de vraag naar de bevoegdheid een vraag van openbare orde is, die de rechtbank zichzelf ambtshalve had moeten stellen.
2. Het hoger beroep is gegrond. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het beroep van de vreemdeling kennis te nemen, voor zover gericht tegen het standpunt van de staatssecretaris over de hoogte van de door hem verbeurde nadere dwangsom. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 september 2020 in zaak nr. NL20.15612, voor zover zij heeft bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom heeft verbeurd van € 13.900,00;
III. verklaart de rechtbank onbevoegd van het beroep tegen de hoogte van de door de staatssecretaris verbeurde nadere dwangsom kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2020
382-862.