Rechtspraak
Raad van State
2019-10-09
ECLI:NL:RVS:2019:3398
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,487 tokens
Inleiding
201900356/1/A2.
Datum uitspraak: 9 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Terheijden, gemeente Drimmelen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 november 2018 in zaak nr. 18/4328 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2017 heeft het college een verkeersbesluit genomen, inhoudende het plaatsen van verkeersborden L3 voor een bushaltepaar op de Zeggelaan ter hoogte van Ganzeweel en Klaverbeemd in Terheijden.
Bij besluit van 30 mei 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 november 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2019, waar het college, vertegenwoordigd door ing. M.C.D.A. Simons en mr. C. Jonkers, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De busroute in Terheijden is in 2015 gewijzigd. De bus reed door de Molenstraat, de Raadhuisstraat en de Hoofdstraat. De nieuwe route loopt door de Zeggelaan. Als gevolg van deze wijziging moeten nieuwe bushaltes aangelegd worden. Daarom heeft het college op 12 januari 2016 een verkeersbesluit genomen voor het plaatsen van bushalteborden voor drie paar bushaltes op de Zeggelaan, waaronder een bushaltepaar ter hoogte van Ganzeweel en Klaverbeemd. Dit bushaltepaar wordt ook wel ‘bushaltepaar Abtslaan’ genoemd.
2. Na bezwaren van omwonenden heeft het college bij besluit van 28 juli 2016 besloten om het bushaltepaar Abtslaan niet aan te leggen. Volgens het college is de belangrijkste reden daarvoor dat de noodzaak voor het plaatsen van dat bushaltepaar niet kon worden aangetoond. Een aantal omwonenden heeft toen beroep ingesteld, omdat zij die halte wel aangelegd had willen zien. Die beroepen zijn bij uitspraak van 16 augustus 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de gemeenteraad in december 2016 door middel van een motie het college de opdracht gegeven om het proces opnieuw op te starten door opnieuw een verkeersbesluit te nemen. Het bushaltepaar is in afwachting van de procedure feitelijk dienst blijven doen.
2.1. Bij het verkeersbesluit van 31 oktober 2017 heeft het college besloten verkeersborden L3 te plaatsen van Bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) voor de aanleg van het bushaltepaar Abtslaan. Aan dit besluit heeft het college een rapport van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (hierna: OMWB) van 4 april 2016 ten grondslag gelegd. Tegen het besluit van 31 oktober 2017 heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 mei 2018 is dat bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [appellant] beroep ingesteld. Dat beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Omdat [appellant] het hier niet mee eens is, heeft hij daartegen hoger beroep ingesteld.
Wettelijk kader
3. Artikel 2, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) luidt:
"1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:
a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;
b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;
c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;
d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer."
Artikel 15 luidt:
"1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.
2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken."
Artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: Babw) luidt:
"De plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens moet geschieden krachtens een verkeersbesluit:
a. de volgende borden:
[…]
II bord L3 van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, voor zover het een bushalte betreft;
[…].
Hoger beroep en beoordeling ervan
4. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet een rechtens te honoreren verwachting mocht hebben dat na het besluit van 28 juli 2016 waarbij is besloten om het bushaltepaar Abtslaan toch niet aan te leggen, nimmer alsnog een verkeersbesluit ten behoeve van dat bushaltepaar zou worden genomen. Volgens [appellant] heeft het college toegezegd dat dat bushaltepaar definitief niet zou worden aangelegd. Hij verwijst naar een brief van het college van 27 september 2016.
4.1. In de brief van 27 september 2016 is door het college, naar aanleiding van acties van bewoners om de bushaltes toch te behouden, naar voren gebracht dat het college niet van plan is om op het besluit van 28 juli 2016 terug te komen. Die omstandigheid en dat het college op basis van de destijds geldende omstandigheden, als uitkomst van de bezwaarprocedure tegen het eerdere verkeersbesluit waarin wel in de in geding zijnde halte was voorzien, in een publicatie heeft medegedeeld dat het bushaltepaar Abtslaan definitief niet wordt aangelegd, betekent niet zonder meer dat het college nadien niet alsnog mocht besluiten de besluitvorming voor het bushaltepaar Abtslaan opnieuw op te starten. Het college mocht in dit geval in de door de gemeenteraad in december 2016 aangenomen motie, waarin het college de opdracht werd gegeven om het proces opnieuw op te starten door opnieuw een verkeersbesluit te nemen, aanleiding zien om dit proces opnieuw op te starten en vervolgens een nieuwe afweging te maken.
Het betoog faalt.
5. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot het in bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit heeft kunnen komen. Hij voert aan dat hij ernstige geluidsoverlast ervaart als gevolg van het bushaltepaar Abtslaan. Hij is al jaren in gesprek met de gemeente over geluidsoverlast, stofoverlast en hard rijden in de Zeggelaan. Verkeersremmende maatregelen die in 2006 zijn getroffen hebben juist voor extra overlast gezorgd. [appellant] verwijst daarbij naar een rapport van onderzoeksbureau Oranjewoud van 17 februari 2011, waaruit blijkt dat de geluidbelasting 81 decibel is. [appellant] stelt dat hij met zijn klachten verschillende keren in het gelijk is gesteld. Door de aanpassing van de busroute en de plaatsing van de halte achter zijn woning is de overlast weer toegenomen. [appellant] wijst erop dat het college metingen heeft laten uitvoeren. Volgens [appellant] is ten onrechte ervan uitgegaan dat zijn woning op een afstand van 25 meter van het bushaltepaar Abtslaan staat. Die afstand moet 4 meter zijn. Gelet op alles wat er in het verleden is gebeurd heeft [appellant] er weinig vertrouwen in dat de gemeente de overlast zal aanpakken. Het college heeft toegezegd dat in 2020 geluidsarm asfalt zal worden aangebracht, maar dit zal volgens [appellant] zeker niet gebeuren. In dit verband wijst hij erop dat klein onderhoud aan het asfalt niet is uitgevoerd en dat het college bij de bushaltes juist asfalt heeft verwijderd en klinkers heeft aangebracht, terwijl de Nationale Ombudsman in een eerder geschil over geluidsoverlast het college heeft bevolen om klinkers te verwijderen. Daarnaast wijst [appellant] op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Verder voert hij aan dat er te hard wordt gereden op de Zeggelaan. Tot slot voert hij aan dat het college al met de werkzaamheden aan de bushalte Abtslaan is begonnen, terwijl de zaak nog onder de rechter was.
5.1. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:504, terecht heeft overwogen komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
5.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot het in het bezwaar gehandhaafde verkeersbesluit heeft kunnen komen. Het college heeft aan dat besluit het rapport van de OMWB van 4 april 2016 ten grondslag gelegd.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.
w.g. Van Ravels w.g. Sanchit-Premchand
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2019
18-691.