Rechtspraak
Raad van State
2019-01-02
ECLI:NL:RVS:2019:3
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,467 tokens
Inleiding
201803049/1/A2.
Datum uitspraak: 2 januari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2018 in zaak nr. 17/1797 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2009 afgewezen.
Bij besluit van 13 februari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft over 2009 kinderopvangtoeslag ontvangen. Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 herzien en vastgesteld op nihil. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1898) geoordeeld dat de dienst dit terecht heeft gedaan.
Bij besluit van 27 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] definitief berekend en vastgesteld op nihil.
2. [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 10 oktober 2016 verzocht om herziening van haar recht op kinderopvangtoeslag over 2009. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit verzoek bij het besluit van 5 november 2016, gehandhaafd bij het besluit van 13 februari 2017, afgewezen. De dienst heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat [appellante] bij haar verzoek om herziening, noch bij haar bezwaarschrift stukken heeft overgelegd op basis waarvan de kinderopvangtoeslag over 2009 kan worden herzien.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] bij haar verzoek om herziening geen stukken heeft overgelegd of omstandigheden naar voren heeft gebracht, waaruit zou kunnen volgen dat de kinderopvangtoeslag over 2009 op een te laag bedrag is vastgesteld. De door [appellante] in beroep ingediende bankafschriften maken dit niet anders, nu zij deze niet tevens bij het verzoek om herziening heeft ingediend. Bovendien volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 11 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3458) dat de kwitanties van contante betalingen ondersteund moeten worden met bankafschriften waaruit met die betalingen corresponderende geldopnames blijken. Nu de opgenomen bedragen niet direct zijn te herleiden tot de bedragen op de kwitanties, kan daaruit niet worden opgemaakt dat de opgenomen bedragen zijn gebruikt om de kosten van kinderopvang te betalen.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de termijn voor het definitief vaststellen van de toeslag, als bedoeld in artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een termijn van orde is en dat aan overschrijding van deze termijn geen consequenties verbonden zijn. De (kennelijke) opvatting van [appellante] dat de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484) in strijd is met de conclusie van staadsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:159), vindt geen steun in die conclusie.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen, met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft mogen afzien van het horen van [appellante] in bezwaar. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat [appellante] in de bezwaarfase geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die bij de dienst nog niet bekend waren. De dienst kon daarom stellen dat op voorhand al duidelijk was dat het bezwaar van [appellante] niet tot een ander besluit kon leiden, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
4. De Afdeling gaat voorbij aan hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. L.A.D. Keus van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:159) en de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1484), reeds omdat deze conclusie en uitspraak niet zien op een verzoek om herziening van een toeslag, zoals hier aan de orde.
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen haar verzoek om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2009 mocht afwijzen. Zij voert hiertoe aan dat een herzieningsverzoek kan worden ingediend, zonder nieuwe feiten en omstandigheden aan te voeren. Artikel 21a van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir kent namelijk een ambtshalve herzieningsmogelijkheid. Om van deze herzieningsmogelijkheid gebruik te maken dient slechts gebleken te zijn dat de toeslag te laag is vastgesteld, aldus [appellante].
5.1. Artikel 21a van de Awir luidt:
"In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen herziet de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden in het voordeel van de belanghebbende."
Artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir luidt:
"De Belastingdienst/Toeslagen herziet in het voordeel van de belanghebbende een toegekende of herziene tegemoetkoming die onherroepelijk is geworden zodra de Belastingdienst/Toeslagen is gebleken dat die tegemoetkoming op een te laag bedrag is vastgesteld […]."
5.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 5 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:930) volgt uit de aanhef van artikel 5a van de Uitvoeringsregeling Awir, met name de woorden "is gebleken", dat de Belastingdienst/Toeslagen pas tot herziening overgaat, indien op grond van feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de toeslag te laag is vastgesteld. Van de Belastingdienst/Toeslagen kan niet worden gevergd dat hij, zonder dat er aanwijzingen zijn dat zich zodanige feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, een beslissing tot vaststelling of herziening van een aanspraak, opnieuw beoordeelt. Een belanghebbende die vraagt om toepassing van artikel 21a van de Awir dient zelf die feiten en omstandigheden te noemen.
5.3. Het betoog faalt.
6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de in beroep overgelegde bankafschriften en de hiermee samenhangende kwitanties kan worden aangetoond dat zij de opgenomen bedragen heeft aangewend om de kosten van kinderopvang contant aan de gastouder te voldoen. Hoewel op het eerste gezicht mogelijk niet geheel duidelijk is dat de opgenomen bedragen samenhangen met de genoemde bedragen in de kwitanties, neemt dit niet weg dat [appellante] contant over deze bedragen heeft beschikt om de kosten van de kinderopvang te voldoen. Uit de kwitanties kan worden afgeleid dat zij in 2009 aan de gastouder in ieder geval een totaalbedrag van € 5.4000,00 contant heeft betaald. Daarnaast kan uit de bankafschriften worden afgeleid dat er op 17 augustus 2009 een additionele betaling van € 2.000,00 aan de gastouder is gedaan in het kader van de betaling van de eigen bijdrage. Zij heeft daarmee aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang in 2009 heeft voldaan, aldus [appellante].
6.1. Artikel 18, eerste lid, van de Awir luidt:
"Een belanghebbende, een partner en een medebewoner verstrekken de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn."
Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) luidt:
"De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:
b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,
2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en
3º. de soort kinderopvang."
6.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3485) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Er bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien de vraagouder niet kan aantonen dat hij het volledige bedrag aan kosten ook daadwerkelijk heeft betaald. Indien een deel van de kosten aantoonbaar is voldaan, kan geen aanspraak worden gemaakt op een evenredig lager voorschot of lagere tegemoetkoming.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Dokkum
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2019
480-586.