Rechtspraak Raad van State 2017-12-20
ECLI:NL:RVS:2017:3515
201700539/1/R2. Datum uitspraak: 20 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk, en de raad van de gemeente Oisterwijk, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 17 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "La Hollande fase 2" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft La Hollande B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2017, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door ing. R.G.A. Mennen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord La Hollande B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. R. Stiekema, advocaat te Zeist. Overwegingen Inleiding 1. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid om op het terrein aan de Nicolaas van Eschstraat in Oisterwijk maximaal 20 woningen met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Daartoe is aan deze gronden de bestemming "Wonen" toegekend. Aan de westzijde van het plangebied, op de hoek van de Nicolaas van Eschstraat en de Oude Haarenseweg, zijn reeds 21 woningen ten behoeve van de eerste fase van dit woningbouwproject gerealiseerd. [appellant] kan zich niet met het plan verenigen. Hij heeft een autoreparatiebedrijf aan de Nicolaas van Eschstraat en zijn gronden grenzen direct aan de oostzijde van het plangebied. [appellant] vreest door het plan te worden beperkt in zijn bedrijfsactiviteiten. Hij betwijfelt of het plan vanwege zijn bedrijf een aanvaardbaar woon- en leefklimaat garandeert ter plaatse van de voorziene woningen. Ontvankelijkheid 2. De raad en La Hollande B.V. betogen dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. 2.1. [appellant] stelt dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet binnen de termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. Hij was niet tijdig op de hoogte van de terinzagelegging van het ontwerpplan omdat de initiatiefnemer volgens hem voor verwarring heeft gezorgd door tegenstrijdige informatie te verstrekken over de datum van de terinzagelegging. Daarbij komt dat de raad in het voorstadium van de procedure geen informatie heeft verstrekt. Daarnaast voert [appellant] aan dat hij ruim voor de terinzagelegging van het ontwerpplan in gesprek met de initiatiefnemer heeft aangegeven dat hij in beroep zou gaan tegen de voorgestelde wijziging in het bestemmingsplan. Naar aanleiding van onder andere dat gesprek is de afspraak gemaakt dat hij op de hoogte zou worden gehouden van de ontwikkelingen. Ondanks dat heeft hij niets van de initiatiefnemer of de raad vernomen, aldus [appellant]. Toen hij eind augustus wel op de hoogte was van de terinzagelegging heeft hij, anders dan in het huis-aan-huisblad Nieuwsklok was vermeld, op de gemeentelijke website geen kennis kunnen nemen van de inhoud van het ontwerpbesluit met de daarbij behorende stukken. Ook kon [appellant] met het vermelde IMRO-nummer in het huis-aan-huisblad Nieuwsklok geen informatie over het ontwerpbesluit vinden op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Tot slot wijst [appellant] erop dat de raad het bestreden besluit toch overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft voorbereid, terwijl in de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2646, staat dat dit niet hoeft. 2.2. Artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening luidt: "Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat: a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerpbesluit met de hierbij behorende st Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. [appellant] heeft ter zitting aangegeven dat hij ervan op de hoogte was dat de terinzagelegging van het ontwerpbesluit in het huis-aan-huisblad Nieuwsklok zou worden gepubliceerd, maar dat hij de kennisgeving daarvan heeft gemist. Ter zitting is voorts vast komen te staan dat [appellant] voor afloop van de zienswijzetermijn door een derde op de hoogte is gebracht van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. De Afdeling stelt vast dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp kennis is gegeven in de Staatscourant, op de gemeentelijke website en in het huis-aan-huisblad Nieuwsklok. In de kennisgeving van het ontwerpbesluit is vermeld waar het plan betrekking op heeft, waar en wanneer de stukken ter inzage liggen, wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen en op welke wijze het naar voren brengen van een zienswijze kan geschieden. Dat de raad, anders dan in de kennisgeving stond vermeld, per abuis de pdf-bestanden van het ontwerpbesluit niet op de gemeentelijke website heeft geplaatst, maakt niet dat [appellant] voor afloop van de zienswijzetermijn geen kennis had kunnen nemen van het ontwerpbesluit en de daarbij behorende stukken. Het ontwerpplan was digitaal te raadplegen op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl en anders dan [appellant] meent, is in het huis-aan-huisblad Nieuwsklok het juiste IMRO-nummer vermeld. Verder heeft de papieren versie van het ontwerpbesluit ter inzage gelegen in het gemeentekantoor. Derhalve is voldaan aan de wettelijke vereisten omtrent de kennisgeving van de terinzagelegging. [appellant] kon dan ook binnen de zienswijzetermijn kennis nemen van het ontwerpbesluit en zodoende had hij tijdig, al dan niet mondeling, een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren kunnen brengen. Naar het oordeel van de Afdeling is voor het achterwege laten van het indienen van een zienswijze geen rechtvaardiging gelegen in de door [appellant] gestelde omstandigheid dat de initiatiefnemer voor verwarring heeft gezorgd door tegenstrijdige informatie te verstrekken over de datum van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit. Daartoe overweegt de Afdeling dat de verstrekte informatie niet afkomstig is van de raad en het in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] behoort om op de hoogte te zijn van het verloop van de bestemmingsplanprocedure. Dit kan anders zijn indien hij er gerechtvaardigd op kon vertrouwen dat hij persoonlijk op de hoogte zou worden gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Uit de stukken blijkt weliswaar dat van de zijde van het gemeentebestuur aan [appellant] is toegezegd dat hij op de hoogte zou worden gehouden van de ontwikkelingen, maar deze toezegging ziet alleen op het verloop van de procedure omtrent het al dan niet handhavend optreden tegen het bedrijf van [appellant]. Gelet hierop mocht [appellant] naar het oordeel van de Afdeling er dan ook niet van uitgaan dat hij door het gemeentebestuur over de terinzagelegging van het ontwerpplan zou worden geïnformeerd. Conclusie 3. Het beroep van [appellant] is niet-ontvankelijk omdat hij verwijtbaar geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat de Afdeling de naar voren gebrachte beroepsgronden tegen het aan de orde zijnde besluit niet inhoudelijk beoordeelt. Als gevolg daarvan komt het plan, met de daarin bij recht mogelijk gemaakte woningbouw op het terrein aan de Nicolaas van Eschstraat in Oisterwijk, vast te staan. Proceskostenveroordeling 4. Voor een proces