Rechtspraak Raad van State 2017-12-20
ECLI:NL:RVS:2017:3503
201703206/1/R3. Datum uitspraak: 20 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, wonend te Mirns, gemeente Gaasterlân-Sleat, appellanten, en de raad van de gemeente de Fryske Marren, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 januari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Mirns-Minicamping [locatie A]" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2017, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C. den Hollander-van der Ent en T.J. Plattel, is verschenen. Tevens zijn ter zitting gehoord [partijen]. Overwegingen Inleiding 1. Het plan voorziet in de mogelijkheid een minicamping te exploiteren op een deel van het perceel [locatie A] in Mirns. Ontvankelijkheid 2. Het beroep is mede ingesteld namens de [familie], wonend aan de [locatie B] te Bakhuizen. De afstand van dit perceel tot het plangebied is ongeveer 1,5 km. Niet is gebleken dat zij vanaf hun perceel zicht op het plangebied hebben. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De conclusie is dat de [familie] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld namens de [familie]. Inhoudelijk toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorgeschiedenis en procedure 4. [appellant] en anderen betogen dat uit de voorgeschiedenis van het initiatief sinds 2005 blijkt dat de raad kampt met tunnelvisie en dat daardoor een ondemocratisch proces is gevolgd. 4.1. In deze procedure ligt alleen het besluit van de raad van 25 januari 2017 ter toetsing voor. De procedure die de raad bij de voorbereiding en vaststelling van het besluit moest volgen, is hoofdzakelijk geregeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en afdeling 3.4 van de Awb. Uit deze wettelijke regelingen volgt dat de bestemmingsplanprocedure begint met de terinzagelegging van het ontwerpplan, in dit geval op 17 juni 2016. De door [appellant] en anderen genoemde gebeurtenissen en handelingen van de raad van voor die datum kunnen niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Ook overigens biedt hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren geen grond voor het oordeel dat de gevolgde procedure ter vaststelling van het besluit van 25 januari 2017 niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen uit de Wro en de Awb. Het betoog faalt. Inhoudelijke bezwaren Camping toegestaan volgens beleid? 5. [appellant] en anderen stellen dat het bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente geen camping toestaat bij een burgerwon 5.5. Voorts is de Afdeling van oordeel dat uit de door [appellant] en anderen geciteerde passages in de gemeentelijke beleidsnota "De diamant van Gaasterland" uit 2009 niet volgt dat een kleinschalige ontwikkeling als hier aan de orde niet mogelijk zou moeten worden gemaakt. 6. [appellant] en anderen stellen dat de minicamping leidt tot verrommeling van het landschap en daarom in strijd is met het provinciale beleid. Zij verwijzen hiertoe naar de toelichting bij artikel 5.5.1, tweede lid, van de Verordening Romte. 6.1. Artikel 5.5.1, tweede lid, van de Verordening Romte luidt: "2. In afwijking van het eerste lid, onder a, kunnen op een kleinschalig kampeerterrein maximaal 25 standplaatsen worden toegestaan op of aansluitend aan het erf van: a. een agrarisch bedrijf; b. een woning of bedrijf indien sprake is van een woon- of bedrijfsperceel dat wat betreft oppervlakte en uitstraling vergelijkbaar is met een agrarisch perceel, mits de gemeente het aantal kleinschalige kampeerterreinen met 16 tot maximaal 25 standplaatsen beperkt, of zones of gebieden aanwijst waar deze terreinen zijn toegestaan." 6.2. De passage uit de toelichting op de Verordening Romte waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, heeft betrekking op artikel 5.5.1, tweede lid. Dit artikellid is echter alleen van toepassing op situaties waarin, in afwijking van het eerste lid, onder a, een kleinschalig kampeerterrein van meer dan 15 standplaatsen wordt toegestaan. Daar is in het onderhavige geval geen sprake van, aangezien de minicamping in het plangebied volgens de planregels maximaal 15 standplaatsen mag hebben. Reeds om deze reden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het beleid dat vertaling heeft gevonden in de Verordening Romte. Landschappelijke inpassing 7. [appellant] en anderen betogen dat de minicamping niet op aanvaardbare wijze zal worden ingepast in het landschap. Zij stellen dat het uitzicht in de omgeving zal worden ontsierd in verband met de hoogteverschillen in de omgeving. Het beplantingsplan achten zij ontoereikend. 7.1. De raad stelt dat de locatie van de minicamping vanaf het Bakhüster Heech (de openbare weg Breelenswei) gezien, ligt op een afstand van 1100 tot 800 m. Doordat de weg hoger ligt, is er sprake van vrij zicht op het terrein, in het geval er geen mais staat. Het landschap ontvouwt zich vanaf die hoogte tot een panorama van ongeveer 800 m breed. Hiervan zal over een breedte van ongeveer 50 m extra beplanting worden aangebracht. Ofschoon met het beplantingsplan rondom aanplant wordt afgedwongen, kan het zijn dat af en toe een dakrand of hoek van een camper zichtbaar is. De invloed op het totaalbeeld is volgens de raad echter minimaal. Het huidige beeld met zicht op de achtererven van woningen langs de Murnserdyk zal niet veranderen. Sommige erven zijn groen omzoomd, maar soms is er ook vrij zicht op bijgebouwen, schuurtjes en dergelijke. Het open karakter van het gebied gaat daardoor volgens de raad niet verloren en de kwaliteit wordt niet aangetast. Vanaf de Murnserdyk is de beleving van kampeermiddelen (voor het grootste deel) achter het bestaande groen nog beperkter. De landschappelijke inpassing van de minicamping acht de raad hiermee voldoende geborgd. De uitvoering van het landschapsplan is volgens de raad ook toereikend gewaarborgd in artikel 3, lid 3.5, van de regels. 7.2. Artikel 3, lid 3.5, van de planregels luidt: "Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’: 1. zonder de aanleg, c.q. de instandhouding van de natuurlijke zone met beplanting conform de tekening van de bijlage ‘Beplantingsplan’ bij de regels, waarmee een verantwoorde landschappelijke inpassing is geborgd; (…)." 7.3. Uit dit artikelonderdeel volgt dat de minicamping pas in gebruik mag worden genomen nadat de natuurlijke zone met beplanting conform de bijlage bi 10.1. Artikel 4, lid 4.4, van de planregels luidt: "4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 toegestaan gebruik […] b Gebruik bijgebouw Het gebruik van een ondergeschikt deel van het bijgebouw ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden met een oppervlakte van ten hoogste 30m²." 10.2. Het verblijfsrecreatieve gebruik van het bijgebouw is uitdrukkelijk toegestaan in artikel 4, lid 4.4.1, onder b, van de planregels. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag. [appellant] en anderen hebben verder niet toegelicht waarom onduidelijk zou zijn wat onder verblijfsrecreatieve doeleinden moet worden verstaan, nu ter plaatse een minicamping is toegestaan. Dit betoog faalt ook. Afstand minicamping-woningen 11. [appellant] en anderen stellen dat de voorziene ontsluiting ertoe leidt dat de afstand van de minicamping tot de woningen in de omgeving in feite slechts 20 m bedraagt. Zij wijzen er in dit verband tevens op dat het sanitairgebouw van de minicamping is voorzien op de voor "Wonen" bestemde gronden. De afstand van hun woningen tot de camping is dus kleiner dan de raad stelt en voldoet niet aan de uitgangspunten van het bestemmingsplan "Buitengebied". 11.1. De raad stelt dat de kampeermiddelen niet op de voor "Wonen" bestemde gronden mogen worden geplaatst. Ter zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat de sanitaire voorziening in een bestaand gebouw is voorzien, om bebouwing op het campinggedeelte te voorkomen opdat dit in de winter open gebied blijft. 11.2. De afstand van het perceelsgedeelte waar de standplaatsen zijn voorzien tot de dichtstbijzijnde woning is ongeveer 87 m. Het sanitairgebouw bevindt zich op een kleinere afstand, maar gelet op de ondergeschikte aard daarvan in relatie tot de standplaatsen heeft de raad niet van die kleinere afstand uit hoeven gaan bij de beoordeling van de gevolgen van de minicamping voor de woningen in de omgeving. Hetzelfde geldt voor de ontsluiting. Het aangevoerde biedt verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het gebruik van het sanitairgebouw en de ontsluiting mede ten behoeve van de minicamping heeft kunnen toestaan. Om deze redenen faalt het betoog. Andere kampeermiddelen 12. [appellant] en anderen wijzen erop dat het plan gebruik toestaat voor "mobiele kampeermiddelen". Hieronder vallen volgens hen echter ook andere middelen dan campers, waarvan de plantoelichting uitgaat op p. 7 en 10. 12.1. De raad licht toe dat, hoewel de initiatiefnemers zich in het bijzonder willen richten op het publiek dat van campers gebruik maakt, ervoor is gekozen de minicamping open te stellen voor alle kampeermiddelen en het gebruik niet uitsluitend te beperken tot campers. 12.2. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de door [appellant] en anderen genoemde pagina’s in de toelichting niet dat de raad het oogmerk heeft gehad een camping toe te staan voor alleen campers. Verder is niet gebleken dat het onderscheid tussen campers en andere kampeermiddelen in de onderhavige situatie van belang zou zijn voor de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Reeds om deze redenen faalt het betoog. Mogelijkheid ontheffing? 13. [appellant] en anderen voeren aan dat onvoldoende garanties bestaan dat geen ontheffing wordt verleend om de camping het gehele jaar open te stellen. Zij wijzen erop dat zo’n ontheffing recent is verleend voor camping "De Braamberg". 13.1. De raad stelt dat in de planregels is bepaald in welke periode de camping open mag zijn. Tegen overtreding van deze regels kan handhavend worden opgetreden. 13.2. Artikel 3, lid 3.5, van de planregels luidt: "Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - minicamping’: […] 2. buiten de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; […]". 13.3. Uit dit artikelonderdeel volgt dat de minicamping niet geopend mag zijn buiten de periode van 15 maart tot en me