Rechtspraak Raad van State 2017-12-06
ECLI:NL:RVS:2017:3371
Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201708697/2/A3. Datum uitspraak: 6 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: I. [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats], II. [verzoeker sub 2], wonend te Amsterdam, III. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats], IV. [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B], beiden wonend te Amsterdam, (hierna gezamenlijk te noemen: [verzoeker sub 1] en anderen) verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2017 in zaak nr. 17/3052 in het geding tussen: [verzoeker sub 1] en anderen en de burgemeester van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2016 heeft de burgemeester een gebied aangewezen als wegen, bedoeld in artikel 2.17A, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (hierna: APV) waar het is verboden zich met een groepsfiets te bevinden. Bij dit besluit is bepaald dat het in werking treedt op 1 januari 2017. Bij besluit van 10 april 2017 heeft de burgemeester het door [verzoeker sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat het bij besluit van 28 september 2016 ingestelde verbod in werking treedt op 1 november 2017. Bij uitspraak van 31 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [verzoeker sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben [verzoeker sub 1] en anderen hoger beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 november 2017, waar [verzoeker sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. J. Monster en mr. R.E. Ruitenberg Segall, beiden rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J. Hagen-Pot, mr. C. Strengers en S. Rechtuijt, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. [verzoeker sub 1] en anderen zijn exploitanten van groepsfietsen, waaronder bierfietsen, en bieden hun diensten onder meer aan in het centrum van Amsterdam. Hun verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de inwerkingtreding van het verbod dat de burgemeester bij besluit van 28 september 2016 heeft ingesteld, en bij besluit van 10 april 2017 heeft gehandhaafd, wordt opgeschort tot na de uitspraak op het hoger beroep van [verzoeker sub 1] en anderen. 3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in de bodemprocedure rechtsvragen aan de orde zijn, die zich minder goed lenen voor beantwoording in de onderhavige procedure. De voorzieningenrechter ziet dan ook af van een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak. De vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen vooruitlopend op de beoordeling van het hoger beroep door de Afdeling, zal de voorzieningenrechter beantwoorden aan de hand van een belangenafweging. 3.1. De burgemeester heeft bij voornoemd besluit van 28 september 2016 een zogeheten aanwijzingsbesluit genomen door een gebied aan te wijzen waarin het verboden is zich met een groepsfiets, waaronder de bierfiets, te bevinden. Dit besluit is gebaseerd op artikel 2.17A van de APV waarin is bepaald dat het de bestuurder van een groepsfiets is verboden zich met een groepsfiets te bevinden op door de burgemeester aangewezen gebieden, wegen of weggedeelten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt voor de toepassing van het eerste lid onder bestuurder van een groepsfiets tevens verstaan: de aanbieder of exploitant van een groepsfiets. Het door de burgemeester aangewezen gebied is nader begrens