Rechtspraak Raad van State 2017-12-06
ECLI:NL:RVS:2017:3361
201700563/1/R1. Datum uitspraak: 6 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en [appellante B] en [appellante C] (hierna: [appellant] en [appellante C]), allen wonend onderscheidenlijk gevestigd te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, en de raad van de gemeente Hollands Kroon, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Tussenweg 10-16 Middenmeer" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en [appellante C] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2017, waar [appellant A], [appellante B] en [appellante C], allen bijgestaan dan wel vertegenwoordigd door mr. M.L. Diepenhorst, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door D. Treffers en M. van Munster, bijgestaan door mr. J. Gundelach, advocaat te Almelo, zijn verschenen. Voorts is Agriport Synergy Solutions B.V., vertegenwoordigd door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, ter zitting als partij gehoord. Overwegingen Het bestemmingsplan 1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de percelen Tussenweg 10-16 die zijn gelegen op het agri-businesspark Agriport A7 dat langs de Rijksweg A7 ligt. Het thans geldende planologische regime voor de gronden Tussenweg 10-16 - bestaande uit het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7 grootschalige glastuinbouw", vastgesteld door de raad op 28 januari 2010, het wijzigingsplan "Wijzigingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied A2W", vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Hollands Kroon op 7 maart 2012, en het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw, eerste partiële herziening", vastgesteld door de raad op 26 maart 2015, in samenhang bezien - voorziet ter plaatse (onder meer) reeds in een datacenter van ongeveer 70 ha. Het beroep van [appellant] en [appellante C] tegen het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw, eerste partiële herziening" is door de Afdeling in haar uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1208, ongegrond verklaard. Met het thans voorliggende bestemmingsplan is het ter plaatse geldende planologische regime aangevuld, in die zin dat de toegestane bouwhoogte op deze gronden is verhoogd van 15 meter naar maximaal 40 meter. 2. Ter zitting hebben partijen te kennen gegeven dat niet in geschil is dat de verbeelding van het bestemmingsplan zoals gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl in samenhang moet worden gezien - zoals ook op die website staat aangegeven - met de verbeelding van het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7, grootschalige glastuinbouw, eerste partiële herziening" waarbij aan het plangebied de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend. 3. Ingevolge artikel 4 van de planregels van het thans voorliggende bestemmingsplan blijven de regels en bijlagen bij de regels van het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7 grootschalige glastuinbouw", de regels van het wijzigingsplan "Uitbreiding Agriport A7 deelgebied A2W", en de regels van het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7 grootschalige glastuinbouw, eerste partiële herziening", met inachtneming van de wijzigingen in dit bestemmingsplan van overeenkomstige toepassing. 4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Ontvankelijkheid 5. Reeds nu het rijksbeleid voor duurzame energie geen doelstellingen bevat voor hergebruik van restwarmte, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en [appellante C] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met het rijksbeleid, zoals dat is neergelegd in de structuurvisie. Het betoog faalt. 8.2. Voor zover [appellant] en [appellante C] wijzen op onjuistheden en onvolkomenheden in de plantoelichting omtrent het hergebruik van restwarmte, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat de plantoelichting, die overigens als zodanig geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan is, dusdanige onjuistheden en onvolkomenheden bevat dat om die reden geoordeeld dient te worden dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden en de raad het bestemmingsplan hierom niet heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt. Lichtuitstraling 9. [appellant] en [appellante C] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat onderscheidenlijk ondernemersklimaat door lichtuitstraling afkomstig van het voorziene datacenter. In de nota van zienswijzen heeft de raad verwezen naar de notitie "Lichtemissie datacenter", van 28 april 2016, (hierna: de notitie lichthinder) opgesteld door TNO en naar de algemene zorgplicht uit het Activiteitenbesluit milieubeheer omtrent het beperken van lichthinder. Hier heeft de raad volgens [appellant] en [appellante C] redelijkerwijs niet mee kunnen volstaan. In dit verband voeren zij aan dat in het lichtonderzoek dat ten grondslag ligt aan de notitie lichthinder slechts de effecten van lichtuitstraling naar boven zijn beoordeeld, en ten onrechte niet tevens de verlichting van het gebouw ('s nachts) en de (horizontale) gevolgen daarvan voor de omgeving. Voorts gaat de vergelijking met lichtuitstraling als gevolg de reeds voorziene glastuinbouw volgens hen niet op, omdat ten aanzien van lichtuitstraling als gevolg van glastuinbouw - anders dan bij het voorziene datacenter - afscherming in de planregels is gewaarborgd. 9.1. Artikel 2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer luidt: "Deze afdeling is van toepassing op degene die: a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft, of b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is." Artikel 2.1, eerste lid, luidt: "Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd." Artikel 2.1, tweede lid, onder h, luidt: "Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder." Artikel 2.1, vierde lid, luidt: "Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste […] lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft […], te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting […] nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt." 9.2. Aan het plangebied is in het bestemmingsplan "Uitbreiding Agriport A7 grootschalige glastuinbouw, eerste partiële herziening" de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - datacente Gelet hierop en nu niet in geschil is dat lichtuitstraling als gevolg van de ter plaatse reeds voorziene glastuinbouw geen onaanvaardbare lichthinder op het perceel [locatie] oplevert, stelt de raad zich op het standpunt dat het voorziene datacenter evenmin leidt tot onaanvaardbare lichthinder op het perceel [locatie]. 9.7. [appellant] en [appellante C] hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat in de notitie lichthinder is uitgegaan van een niet-representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden wat betreft de verlichting van/bij/in het datacenter. [appellant] en [appellante C] voeren echter op zichzelf terecht aan dat in de notitie lichthinder slechts is gekeken naar de lichtuitstraling naar de hemel (verticaal) en niet naar de lichtuitstraling naar de (horizontale) omgeving, waaronder het perceel [locatie]. In dit verband heeft de raad ter zitting gesteld dat alleen sprake zal zijn van op bedrijventerreinen reguliere terreinverlichting en dat als gevolg daarvan, gelet op de aanzienlijke afstand van ruim 800 meter van het perceel [locatie] tot het plangebied, redelijkerwijs geen hinderlijke lichtuitstraling te verwachten valt op het perceel [locatie]. Deze stellingname komt de Afdeling in het onderhavige geval niet onaannemelijk voor. Bovendien heeft de raad gewezen op de algemene zorgplicht - en het in voorkomend geval ook handhaven daarvan - zoals neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, op grond waarvan door de drijver van de inrichting maatregelen moeten worden getroffen ter voorkoming van hinderlijke lichtuitstraling alsmede de mogelijkheid van het bevoegd gezag om, op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming van hinderlijke lichtuitstraling op het perceel [locatie]. Het betoog faalt. Landschappelijke inpassing 10. [appellant] en [appellante C] betogen dat een datacenter van 40 meter hoog leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het open en agrarische karakter van de omgeving en daarmee tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat onderscheidenlijk ondernemersklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat het voorziene datacenter ondanks de beoogde landschappelijke inpassing en/of architectonische vormgeving altijd zichtbaar zal blijven. De raad heeft volgens hen op dit punt niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het rapport "Inpassing hogere bouwhoogte voor de functie datacenter" van 4 oktober 2016, (hierna: het rapport landschappelijke inpassing) opgesteld door Sweco Nederland B.V. In dit verband voeren zij, kort gezegd, aan dat aan het rapport verkeerde uitgangspunten ten grondslag liggen, dat het een vertekend beeld geeft van de beoogde situatie en onvoldoende rekening houdt met verschillende relevante factoren, zoals de ruimte tussen gebouwen en de invloed daarvan op de omgeving en de planologisch voorziene afwijkingsmogelijkheden. Voorts betogen zij dat ten onrechte geen regeling is opgenomen omtrent de instandhouding van de bomenrij langs de oostkant van de A7/Flevoweg en dat het datacenter slechts een bepaalde periode van het jaar door deze bomenrij aan het zicht wordt onttrokken. 10.1. In paragraaf 4.5 van de plantoelichting staat dat een ontwerpproces is doorlopen in samenwerking met provincie, gemeente en ontwikkelaar met een team waarin welstandsupervisie, kennis van hoogbouw in Noord-Holland, kennis van stedenbouw, landschapsarchitectuur, architectuur en de omgevingsvisie van de gemeente zijn samengebracht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport landschappelijke inpassing. Het gehele proces is blijkens de plantoelichting ondersteund door de Provinciale Adviseur Ruimtelijke Kwaliteit. Om te bepalen waar en hoe een hoger gebouw dan 15 meter kan worden beleefd, en op welke wijze dit het beste kan worden ingepast, gegeven relevante standpunten op de locatie en in de wijdere omgeving van de locatie