Rechtspraak Raad van State 2017-12-06
ECLI:NL:RVS:2017:3343
201703237/1/R3. Datum uitspraak: 6 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend te Ommen, appellanten, en de raad van de gemeente Ommen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 maart 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Wonen Ommen, partiële herziening Hessenweg West 1, Ommen" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [partijen] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2017, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door W.G.J. Sauer, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord. Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht. Overwegingen Inleiding 1. Op het perceel Hessenweg West 1 bevindt zich de voormalige stadsboerderij "Erve Slotman". De bedrijfswoning en de andere bedrijfsgebouwen hebben geen agrarische functie meer en verkeren in vervallen staat. De eigenaar en initiatiefnemer, [partij], is voornemens het complex te transformeren. Hij wenst de boerderij te herbouwen en de authenticiteit en cultuurhistorische waarde zoveel mogelijk te herstellen. Het aangebouwde achterhuis wil hij slopen en aan de zuidelijke zijde van de boerderij op het erf herbouwen. De oorspronkelijke wagenloods uit 1930 wil hij verbouwen tot schuur met een gastenverblijf. Met het plan wordt beoogd deze transformatie mogelijk te maken. Verder voorziet het plan in een veld van 200 tot 250 m2 voor maximaal 120 zonnepanelen te kunnen plaatsen. Voorts maakt het plan de aanleg van een paardenbak met verlichting mogelijk. 2. [appellant] en anderen wonen op percelen die aan de rand van een weiland liggen dat aan de zuidelijke zijde van het plangebied ligt. Zij hebben bezwaren tegen het plan, omdat dit volgens hen ontwikkelingen mogelijk maakt die hun woon- en leefklimaat kunnen aantasten. Toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Ingetrokken beroepsgrond 4. Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgrond die inhoudt dat het plan in strijd is met het provinciale beleid, in het bijzonder de Omgevingsverordening Overijssel, ingetrokken. Ontvankelijkheid 5. De raad heeft naar voren gebracht dat de percelen van de appellanten die aan de Merelstraat en de Geelgorsstraat wonen, op te grote afstand van het plangebied liggen en dat zij daarom niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Ook de appellanten die aan de Koperwiekstraat wonen, zijn volgens de raad geen belanghebbenden, omdat het plangebied vanaf hun woningen volledig aan het zicht wordt onttrokken door een forse groenstrook. 5.1. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken." 5.2. Op grond van de stukken stelt de Afdeling vast dat de percelen waarop de woningen van appellanten aan de Koperwiekstraat staan, op relatief korte afstand van het plangebied liggen. Weliswaar is er beplanting aanwezig tussen hun percelen en h Het plan verzet zich er niet tegen dat de bestaande bebouwing wordt vervangen door nieuwbouw. Met artikel 4, lid 4.2.1, aanhef en onder b, van de planregels wordt echter wel beoogd de oorspronkelijke, uitwendige hoofdvorm van de boerderij te behouden. Zo wordt ernaar gestreefd de voorgevel en de oorspronkelijke achtergevel op de huidige plek te laten staan. De later aan de boerderij gebouwde aan- en uitbouwen worden gesloopt. Indien de oorspronkelijke hoofdvorm van de boerderij daarna geheel of gedeeltelijk wordt gesloopt, zal deze echter opnieuw worden opgebouwd op dezelfde locatie en in dezelfde stijl en vorm. Het betoog faalt. 9. [appellant] en anderen stellen dat het plan in strijd is met het Gemeentelijk Omgevingsplan Ommen (GOP), omdat belanghebbenden volgens hen niet tijdig zijn geïnformeerd en het plan bij hen geen draagvlak heeft. Voorts past het plan niet in het gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan (LOP). 9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. 9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in de plantoelichting in hoofdstuk 3 in achtereenvolgens de paragrafen 3.3.2 en 3.3.3 uitvoerig uiteengezet dat en waarom volgens hem de in het plan voorziene ontwikkeling voldoet aan het Omgevingsplan en het Landschapsontwikkelingsplan. In dit verband heeft de raad toegelicht dat de initiatiefnemer de naaste aanwonenden op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen. Daartoe heeft de initiatiefnemer een informatiebijeenkomst gehouden, waarbij hij een toelichting op zijn voornemen heeft gegeven. Naar aanleiding van opmerkingen van aanwonenden heeft de initiatiefnemer de situering van de nieuwe schuur enigszins aangepast en heeft hij besloten af te zien van zijn voornemen om zijn elders in Ommen gevestigde autobedrijf naar het plangebied van het voorliggende plan te verplaatsen. Weliswaar kan het plan bij [appellant] en anderen niet op draagvlak rekenen, maar dit betekent niet dat het plan in strijd is met het Omgevingsplan. Het betoog faalt. 10. [appellant] en anderen betogen dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.4.3, van de planregels die ziet op de landschappelijke inpassing, ten onrechte alleen wordt geactiveerd indien nieuwe gebouwen binnen de bestemming "Woongebied" in gebruik worden genomen maar niet indien deze gebouwen niet in gebruik worden genomen. Volgens hen heeft de voorwaardelijke verplichting ook ten onrechte geen betrekking op bestaande gebouwen in de bestemming "Woongebied" en evenmin op de plaatsing van zonnepanelen en de aanleg van de paardenbak binnen de bestemming "Agrarisch". 10.1. De raad stelt dat in de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen waarin is vastgelegd dat de landschapsmaatregelen in het Erfinrichtingsplan moeten worden uitgevoerd. De zonnepanelen en de paardenbak worden zodanig in het veld gesitueerd dat deze voor de omgeving (vrijwel) niet te zien zijn. Zij zullen worden omgeven door een beukenhaag en er komt een houtwal tussen deze voorzieningen en het aangrenzende weiland. 10.2. Artikel 4, lid 4.4.3 van de planregels luidt: "a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe gebouwen overeenkomstig de in "Woongebied" opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen nieuwe gebouwen overeenkomstig de in "Woongebied" opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 24 maanden na de ingebruikname van gebouwen uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Erfinrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing." 10.3. Uit de stukken blijkt dat de initiatiefneme Het Erfinrichtingsplan laat zien welke zichtlijnen op de voormalige boerderij aanwezig zullen zijn. De zonnepanelen zullen zodanig in het veld worden gesitueerd dat deze (vrijwel) niet te zien zijn. Slechts een beperkt deel van de gronden rondom de voormalige boerderij wordt in ontwikkeling genomen. Het overgrote deel van de gronden tussen de boerderij en de woningen van [appellant] en anderen wordt niet ontwikkeld en blijft een grote groene ruimte. De locatie voor de nieuwe schuur heeft volgens de raad geen nadelige gevolgen voor het karakter van het erf en de omgeving. 12.2. Uit de stukken blijkt dat met het plan wordt beoogd een compact erf te realiseren. Dit betekent dat de voormalige boerderij en de overige bebouwing worden georiënteerd rond een centraal erf, waarbij de nieuw te bouwen schuur ten zuiden van de boerderij komt te liggen. De gronden aan de noordelijke zijde van de boerderij kunnen dan vrij blijven van bebouwing. Hierdoor blijven de bestaande zichtlijnen op de boerderij vanaf de Balkerweg gehandhaafd. Dit is van belang omdat deze weg de toegang vormt tot de kern van Ommen. De Afdeling acht deze doelstelling van het plan niet onredelijk. 12.3. Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarische cultuurgrond; (…) c. tuinen en erven aangrenzend aan de bestemming "Woongebied"; (…) j. het behoud en herstel van de aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden." Artikel 3, lid 3.2, luidt: "Bouwen is toegestaan uitsluitend ten dienste van de in artikel 3.1 omschreven bestemming met inachtneming van de volgende regels: a. uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde; b. er zijn uitsluitend vergunningsvrije erf- en perceelafscheidingen toegestaan overeenkomstig artikel 2 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat geldt op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan), met dien verstande dat bestaande erf- en perceelafscheidingen eveneens zijn toegestaan; (…) e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde bedraagt maximaal 3 m." Artikel 4, lid 4.1, luidt: "De voor "Woongebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, beperkt tot het bestaande aantal woningen; (…) met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven." Artikel 4, lid 4.2.3, luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m; b. er zijn uitsluitend vergunningsvrije erf- en perceelafscheidingen toegestaan overeenkomstig artikel 2 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (zoals dat geldt op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan)." 12.4. Op grond van artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 van bijlage II van het Bor. Dit brengt met zich dat het bestemmingsplan niet in de weg staat aan het bouwen van bouwwerken die aan de in artikel 2 van bijlage II van het Bor gestelde eisen voldoen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0166, blijkt dat het bestemmingsplan daaraan ook niet in de weg mag staan. 12.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is de uitoefening van aan huis gebonden beroepen toegestaan, maar hiervoor mag slechts 30% van de gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de woning en de bijgebouwen worden gebruikt tot een maximum van 45 m2. Dezelfde beperking geldt ingevolge artikel 4, lid 4.5.1, voor andere kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten die slechts zijn toegelaten indien hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. Het plan maakt de bouw van een nieuwe schuur van maximaal 250 m2 mogelijk waarmee de sloop van het later