Rechtspraak Raad van State 2017-12-01
ECLI:NL:RVS:2017:3292
201706875/2/R2. Datum uitspraak: 1 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: 1. de Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: BMF), gevestigd te Tilburg, 2. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college), verzoekers, en de raad van de gemeente Waalre, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 juni 2017, kenmerk 2017-35, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Waalre" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer de BMF en het college beroep ingesteld. De BMF en het college hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De BMF en B.V. Maatschappij voor Duurzaam Bezit Everlast Company, belanghebbende, hebben nadere stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 20 november 2017, waar de BMF, vertegenwoordigd door [gemachtigden], het college, vertegenwoordigd door J.D.F. Verboom, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H. van Dijk-Boomsma zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], bijgestaan door [gemachtigde], en Everlast Company, vertegenwoordigd door mr. S. Yadegari, advocaat te Eindhoven, als belanghebbenden gehoord. Buiten bezwaren van partijen heeft de raad in verband met het beroep van het college ter zitting nadere stukken in het geding gebracht. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2. De wet- en regelgeving die relevant is voor de hierna volgende overwegingen is, voor zover niet weergegeven in de overwegingen, opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Het verzoek van de BMF 3. De BMF kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat voorziet in nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen. Zij beoogt met haar verzoek te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van deze mogelijkheden optreden in het Natura 2000-gebied "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux", dat deels in het plangebied ligt. Volgens de BMF is ten onrechte geen plan-MER en passende beoordeling gemaakt, nu het plan voorziet in ruimere ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen dan het vorige bestemmingsplan. Voorts is in het plan ten onrechte niet bepaald dat uitbreiding van de veestapel en toename van de ammoniakemissie niet zijn toegestaan. De BMF voert aan dat artikel 3, lid 3.1.1, onder b, sub 2, van de planregels het ten onrechte mogelijk maakt om mestopslag te realiseren. Ter zitting heeft de BMF in dit verband ook gewezen op artikel 4, lid 4.2.1, onder b, sub 2. Voorts wijst de BMF op de afwijkingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.3.2, en artikel 4, lid 4.3.2, en de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.7.4, 3.7.5, 3.7.6 en 3.7.7, en artikel 4, lid 4.7.4, 4.7.5 en 4.7.6, van de planregels. 3.1. Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "Voor het bouwen gelden, met in acht name van het bepaalde in artikel 42, de volgende regels: 3.1.1 Algemeen: a. bebouwing is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met uitzondering van het bepaalde in artikel 3 lid 1.5; b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat: 1. alleen vergroting/uitbreiding van de bebouwing is toegestaan voor een veehouderij welke op 21 september 2013 aanwezig en in uitvoering was, en/of waarvoor gebouwd mag worden krachtens voor die tijd ingediende en voor of nadien verleende omgevingsvergunning; 2. het voornoemde is niet van toepassing voor zover het gebouwen en/of mestopslag betreft ten behoeve van een bedrijf dat niet is aangeduid als 'grondgebonden veehouderij' en/of 'intensieve veehouderij'; en voor zover andere voorzieningen die binnen het bouwvlak gerealiseerd moeten worden, zoals erfverhardingen, kuilvoeropslagen en dergelijke, daar ruimte voor laten." Artikel 4, lid 4. Artikel 3, lid 3.3.6, en artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels 6. Het college betoogt dat artikel 3, lid 3.3.6, en artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels zijn vastgesteld in strijd met artikel 3.1, tweede lid, onder d, van de Verordening 2014. Ten onrechte wordt hiermee volgens het college bouwen buiten het bouwvlak mogelijk gemaakt. Met deze regeling is volgens het college ten onrechte geen rekening gehouden met de maximale oppervlaktes die in de Verordening 2014 zijn opgenomen voor bouwpercelen. 6.1. De raad stelt dat de artikelen 3, lid 3.3.6, onder a, en 4, lid 4.3.6, onder a, ten onrechte zijn vastgesteld en dat dit zal worden herzien bij eerder genoemd herstelbesluit. Het bepaalde onder b van deze bepalingen zal volgens de raad niet worden herzien. 6.2. Hoofdstuk 3 van de planregels bevat bepalingen voor gronden met de bestemming "Agrarisch". Hoofdstuk 4 van de planregels bevat bepalingen voor de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden". De voorzieningenrechter houdt het er voorlopig voor dat al deze gronden liggen buiten bestaand stedelijk gebied als bedoeld in de Verordening 2014. De artikelen 3, lid 3.3.6, en 4, lid 4.3.6, van de planregels bevatten - kort weergegeven - afwijkingsbevoegdheden op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning kan verlenen om buiten het bouwvlak al dan niet vervangende bebouwing op te richten. Gelet hierop is het mogelijk om op grond van deze bepalingen buiten bestaand stedelijk gebied gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen buiten het bouwperceel als bedoeld in de Verordening 2014 op te richten. Dit is in strijd met artikel 3.1, tweede lid, onder d, van de Verordening 2014. Niet is gebleken dat, mede gelet op de voorwaarden in deze afwijkingsbevoegdheden, toepassing kan worden gegeven aan de uitzonderingen die in de Verordening 2014 zijn opgenomen voor deze hoofdregel. Voorts stelt het college terecht dat in genoemde afwijkingsbevoegdheden geen voorwaarden zijn opgenomen die waarborgen dat de maximale oppervlaktes die in de Verordening 2014 zijn opgenomen voor bouwpercelen niet zullen worden overschreden. De raad kon ter zitting desgevraagd niet uitsluiten dat van genoemde afwijkingsbevoegdheden gebruik zal worden gemaakt voordat de Afdeling in de hoofdzaak heeft beslist. Gelet hierop is, anders dan bij de door de BMF bestreden afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, spoedeisend belang gemoeid met het verzoek. [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] 7. Het college voert aan dat het plan voor de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die niet gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit is volgens het college in strijd met artikel 3.2, eerste, tweede en vierde lid, van de Verordening 2014. Voor zover de raad een beroep doet op bestaande rechten wijst het college erop dat, daar gelaten het antwoord op de vraag of sprake is van bestaande rechten als bedoeld in de Verordening 2014, ruimere bestemmingen zijn opgenomen dan strikt noodzakelijk zijn. Wat betreft het plandeel aan de [locatie 4] voert het college voorts aan dat dit is vastgesteld in strijd met artikel 7.7, eerste lid, onder a, van de Verordening 2014. 7.1. De raad stelt dat is beoogd de bestaande en legale situaties op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] als zodanig te bestemmen. Van een spoedeisend belang is volgens de raad dan ook geen sprake. Wat betreft de [locatie 4] stelt de raad dat de kwaliteitsverbetering is verantwoord in de ruimtelijke onderbouwing die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Voorts stelt de raad dat het voorzien van een nieuwe woning ter plaatse is toegestaan op grond van artikel 8.2 van de Verordening 2014. 7.2. De voorzieningenrechter stelt het volgende vast. Het plandeel met de bestemming "Wonen - Villabebouwing" aan de [locatie 1] is deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014. Het college stelt dat, anders dan de raad stelt, geen sprake is van bestaande rechten die op grond van de Verordening 2014 als zodanig mogen worden bestemd. 8.1. De raad stelt dat is beoogd de bestaande en legale situaties op de percelen [locatie 5], [locatie 6], [locatie 7] en [locatie 8] als zodanig te bestemmen. Bij de percelen [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] is van een spoedeisend belang volgens de raad geen sprake. 8.2. Wat betreft het perceel [locatie 9] is ook volgens Everlast Company geen sprake van spoedeisend belang. 8.3. De voorzieningenrechter stelt het volgende vast. De plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" aan de [locatie 9] zijn deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de bestemming "Bos" was toegekend. De plandelen met de bestemmingen "Wonen - Villabebouwing" en "Tuin" aan de [locatie 10] zijn deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de bestemming "Bos" was toegekend. Het plandeel met de bestemming "Wonen - Villabebouwing" aan de [locatie 6] is deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de bestemming "Bos" was toegekend. Het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 7] is deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur" en "Water" waren toegekend. Het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 8] is deels toegekend aan gronden waaraan in het vorige plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" was toegekend. De voorzieningenrechter gaat er op voorhand van uit dat al deze percelen op het bij de Verordening 2014 behorende kaartmateriaal geheel of gedeeltelijk liggen in het NNB. 8.4. Weliswaar heeft de raad beoogd de bestaande situaties als zodanig te bestemmen, maar op voorhand is niet uit te sluiten dat de vormveranderingen dan wel verruimingen van de woonbestemmingen op genoemde percelen ertoe leiden dat nieuwe al dan niet vergunningvrije bouwwerken kunnen worden opgericht op gronden waaraan in het vorige plan geen woonbestemming was toegekend. Evenmin is op voorhand uit te sluiten dat de vormveranderingen dan wel verruimingen van de tuinbestemmingen ertoe leiden dat nieuwe gebruiksmogelijkheden ontstaan op gronden waaraan in het vorige plan geen tuinbestemming was toegekend. Deze procedure leent zich niet voor de beantwoording van de vraag in hoeverre van deze mogelijkheden op al deze percelen sprake is. Indien het plan in werking treedt en indien het plan ruimere mogelijkheden biedt dan het vorige plan, kunnen op grond daarvan aanvragen tot verlening van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen worden ingediend en vergunningvrije bouwwerken worden opgericht op gronden waaraan in het vorige plan geen woonbestemming was toegekend. Voorts kunnen in dat geval nieuwe gebruiksmogelijkheden worden benut op gronden waaraan in het vorige plan geen tuinbestemming was toegekend. Anders dan de raad en Everlast Company kennelijk veronderstellen, heeft het college dan ook spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Deze procedure leent zich evenmin voor een beantwoording van de vraag of op alle genoemde percelen sprake is van bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, derde lid, van de Verordening 2014. Het plan voorziet gelet op het voorgaande mogelijk in ruimtelijke ontwikkelingen in het NNB die in strijd zijn met artikel 5.1, eerste lid, onder a en c, van de Verordening 2014. [locatie 11] 9. Het college kan zich niet verenigen met de aanduiding "sierteelt" voor zover dit ligt in het NNB en de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 90" voor het plandeel aan de [locatie 11]. Voorts kan het college zich niet verenigen met artikel 4, lid 3.6, onder b en c, van de planregels. Het college voert aan dat het plan in zoverre voorziet 9.6. Voor zover het verzoek ziet op artikel 4, lid 4.3.6, onder b, van de planregels, verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen is overwogen in 6.2. [locatie 12] 10. Het college kan zich niet verenigen met de toekenning van een gekoppeld bouwvlak aan de noordoostzijde van het perceel [locatie 12]. Volgens het college voorziet het plan in zoverre in strijd met artikel 3.1, tweede lid, onder a, van de Verordening 2014 in nieuwvestiging. Voor zover de raad toepassing heeft willen geven aan artikel 6.4, derde lid, van de Verordening 2014 stelt het college dat dit niet mogelijk is, omdat het bouwperceel in het vorige plan kleiner is dan 1,5 ha. 10.1. De raad stelt dat geen sprake is van nieuwvestiging, maar van uitbreiding van het bouwvlak. Daarom kon toepassing worden gegeven aan artikel 6.4, derde lid, van de Verordening 2014. De raad heeft beoogd de bestaande ruwvoeropslag als zodanig te bestemmen en stelt dat dit in het vorige plan en in de vorige verordening van Noord-Brabant was toegestaan. 10.2. Het perceel [locatie 12] ligt buiten bestaand stedelijk gebied als bedoeld in de Verordening 2014. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch met waarden". Het in het plan toegevoegde gekoppelde bouwvlak is van het bestaande bouwperceel gescheiden door een weg met de bestemming "Verkeer". 10.3. Gelet op artikel 4, lid 4.2.5, onder b, sub 2, van de planregels van het vorige plan gaat de voorzieningenrechter er op voorhand van uit dat bouwwerken voor voeropslag buiten het bouwvlak op het perceel [locatie 12], anders dan de raad kennelijk veronderstelt, niet waren toegestaan in dat plan. In zoverre voorziet het plan in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1, lid 1.76, van de Verordening 2014. De voorzieningenrechter is er op voorhand niet van overtuigd dat de toevoeging van een bouwvlak met een koppelteken moet worden aangemerkt als uitbreiding in de zin van artikel 1, lid 1.85, van de Verordening 2014. Daarbij is van belang dat onder bouwperceel op grond van artikel 1, lid 1.22, van de Verordening 2014 wordt verstaan een aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd. Door de koppeling van een bouwperceel op een afstand van ongeveer 22 m is van een aaneengesloten vlak en concentratie van bebouwing geen sprake. Naar voorlopig oordeel voorziet het plan in nieuwvestiging als bedoeld in artikel 1, lid 1.61, van de Verordening 2014. Reeds hierom heeft de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen toepassing kunnen geven aan artikel 6.4, derde lid, van de Verordening 2014. Gelet op het voorgaande voorziet het plan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied zonder gebruik te maken van een bestaand bouwperceel. Dit is in strijd met artikel 3, lid 3.1, tweede lid, onder a, van de Verordening 2014. De raad heeft aangevoerd dat aan het gekoppelde bouwvlak de specifieke bouwaanduiding "onbebouwd" is toegekend en dat daar reeds ruwvoer wordt opgeslagen. Ter zitting heeft het college gesteld dat de oppervlakte van het gekoppelde bouwvlak groter is dan de omvang van de huidige opslag. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang gemoeid met het verzoek. [locatie 13] 11. Het college voert aan dat het plandeel met de bestemming "Horeca" aan de [locatie 13] is vergroot ten opzichte van het vorige plan zonder dat de daarvoor vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap als bedoeld in artikel 3.2 van de Verordening 2014 in het plan is gewaarborgd. Het inrichtingsplan dat als bijlage 3A bij de plantoelichting is gevoegd, is niet het inrichtingsplan waar het college in eerder overleg met het gemeentebestuur in dit verband overeenstemming over heeft bereikt. Voorts zijn de voorwaardelijke verplichtingen in artikel 11, lid 11.2.1, onder d, en lid 11.3, onder f, van de planregels volgens het college onvoldoende duidelijk geformule In zoverre is het plan dan ook vastgesteld in strijd met artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening 2014. 12.4. Voor zover het college vreest dat het plan voorziet in de mogelijkheid een hondenfokkerij te exploiteren, is het volgende van belang. In het plan is geen uitleg gegeven aan het begrip dierenpension. De voorzieningenrechter houdt het er voorlopig voor dat een hondenfokkerij daar niet onder valt en ook overigens op grond van artikel 4, lid 4.1, van de planregels ter plaatse niet is toegestaan. Slotoverwegingen 13. Gelet op het vorenstaande en bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen. 14. De raad dient ten aanzien van de BMF op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het college is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Waalre van 6 juni 2017, kenmerk 2017-35, voor zover het betreft; a. artikel 3, lid 3.1.1, onder b, sub 2, van de planregels; b. artikel 4, lid 4.2.1, onder b, sub 2, van de planregels; c. artikel 3, lid 3.3.6, van de planregels; d. artikel 4, lid 4.3.6, van de planregels; e. het plandeel met de bestemming "Wonen - Villabebouwing" aan de [locatie 1], voor zover het ziet op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemmingen "Agrarisch" en "Tuin" waren toegekend; f. het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 2], voor zover het ziet op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Tuin" waren toegekend; g. het plandeel met de bestemming "Wonen - Villabebouwing" aan de [locatie 3], voor zover het ziet op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Agrarisch" was toegekend; h. het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 4]; i. de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" aan de [locatie 9], voor zover deze zien op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Bos" was toegekend; j. de plandelen met de bestemmingen "Wonen - Villabebouwing" en "Tuin" aan de [locatie 10], voor zover deze zien op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Bos" was toegekend; k. de plandelen met de bestemming "Wonen - Villabebouwing" aan de [locatie 6], voor zover deze zien op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Bos" was toegekend; l. het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 7], zover het ziet op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Natuur" en "Water" waren toegekend; m. het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 8], voor zover het ziet op de gronden waaraan in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur" was toegekend; n. de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m2) = 90" voor het perceel [locatie 11]; o. het gekoppelde bouwvlak aan de noordoostzijde van het perceel [locatie 12]; p. het plandeel met de bestemming "Horeca" aan de [locatie 13] voor zover het ziet op gronden waarin in het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2013 de bestemming "Agrarisch" was toegekend; q. artikel 11, lid 11.2.1, onder d, en lid 11.3, onder f, van de planregels; r. aanduiding "dierenpension" voor het plandeel aan de [locatie 14]; II. veroordeelt de raad van de gemeente Waalre tot vergoeding van bij Stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 37,71 (zegge: zevenendertig euro en eenenzeventig cent); III. gelast dat de raad van de gemeente Waalre aan verzoekers het De in het eerste lid bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. een fysieke bijdrage aan de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones. 4. Indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet is verzekerd, wordt het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd en wordt over de werking van dat fonds regelmatig verslag gedaan in het regionaal ruimtelijk overleg. Artikel 5 Natuur Netwerk Brabant 5.1 Bescherming Natuur Netwerk Brabant Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant: a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken; c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten. Artikel 6 Groenblauwe mantel 6.3 Veehouderijen 1. Een bestemmingsplan gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, mits: a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt. 6.4 Afwijkende regels veehouderij […]; 3. In afwijking van artikel 6.3, eerste lid onder b, kan een bestemmingsplan bepalen dat de omvang van het bouwperceel met ten hoogste 0,5 hectare wordt vergroot indien: a. het bedrijf vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer; b. de ruimte binnen het bouwperceel niet aanwezig is; c. het bestemmingsplan borgt dat deze 0,5 hectare uitsluitend gebruikt wordt ten behoeve van voorzieningen -geen gebouwen zijnde- voor de opslag van ruwvoer. 6.10 Niet-agrarische functie 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel kan voorzien in een vestiging van een niet-agrarische functie, anders dan bepaald in de artikelen 6.7 tot en met artikel 6.9 mits: […]; d. de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger. Artikel 7 Gemengd landelijk gebied 7.7 Wonen 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen, bedrijfswoningen of solitaire recreatiewoningen zijn toegestaan. 7.16 Kleinschalige voorzieningen 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in de kernrandzone, dan wel een gebied dat gezien de ligging en het feitelijk gebruik gerekend kan worden tot de kernrandzone, in gemengd landelijk gebied kan voorzien in de nieuwvestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen, schuilhutten en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen mits: a. de beoogde ontwikkeling slechts kleinschalige bebouwing met zich brengt; b. het bestemmingsplan borgt dat de voorziening inclusief de toegelaten bebouwing, kleinschalig blijft; c. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking. 2. Artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), is niet van toepassing op een kleinschalige voorziening als bedoeld in het eerste lid. Artikel 8 Zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling 8.2 Regels voor kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties 1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging), artikel 6.7, eerste lid, en artikel 7.7, de locatie niet is gelegen binnen de dubbelbestemmingen Waarde - Cultuurhistorie akkercomplex, Waarde - Cultuurhistorie dorpsgezicht Loon, Waarde - NNB de bijbehorende perceelsoppervlakte minimaal 0,3 hectare bedraagt; 3. de voorziening uit milieutechnisch oogpunt aanvaardbaar is; 4. de onderlinge afstand tussen twee voorzieningen minimaal 100 m bedraagt; 5. de oppervlakte niet meer dan 30 m² bedraagt, de goothoogte niet meer dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt. Artikel 4 Agrarisch met waarden 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik, waaronder medebegrepen agrarisch natuurbeheer; b. de instandhouding, herstel en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende danwel daaraan eigen landschappelijke en natuurlijke waarden; c. de instandhouding, herstel en ontwikkeling van het watersysteem; d. de uitoefening van een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf; e. een grondgebonden veehouderij; alleen ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij'; f. een intensieve veehouderij; alleen ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'; g. een paardenhouderij; alleen ter plaatse van de aanduiding ‘paardenhouderij'; h. een sierteeltbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'sierteelt'; i. de uitoefening van een recreatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepskamperen'; j. het gebruik als sportveld ter plaatse van de aanduiding 'sportveld'; k. de uitoefening van een ondergeschikt activiteitenbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - activiteitenboerderij'; l. de uitoefening van de kanosport ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - kanosport'; m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; n. bestaande onverharde wegen; o. recreatieve wandel- en fietspaden; en ondergeschikt aan een bedrijf als bedoeld onder 'd' t/m 'h': a. bed & breakfastvoorzieningen in de bedrijfswoning; b. dagbesteding voor zorgvragers; c. extensief dagrecreatief medegebruik met bijbehorende voorzieningen, zoals RUST-punten met ondersteunende horeca; d. een dierenpension ter plaatse van de aanduiding 'dierenpension'; alsmede voor bij deze bestemming, tussen het bouwvlak en de openbare weg gelegen, behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, groenvoorzieningen, perceelsontsluitingen, (onderhouds)paden en parkeervoorzieningen conform de CROW; met dien verstande dat; a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; b. bijbehorende tuinen, erven en parkeervoorzieningen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan. 4.3 Afwijken van de bouwregels Mits, en voor zover van toepassing, a. de kenmerkende waarden van het gebied niet onevenredig worden aangetast; b. wordt voldaan aan de 'Uitwerking Rood-met-groeninstrumentarium', zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels en; c. wordt voldaan aan de volgende randvoorwaarden: 1. er maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 2. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving en gelet op de aspecten als benoemd in artikel 3.1, derde lid, onder b en c, inpasbaar is in de omgeving; 3. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 4. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3; 5. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van d