Rechtspraak
Raad van State
2017-11-29
ECLI:NL:RVS:2017:3246
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,453 tokens
Inleiding
201608927/1/A3.
Datum uitspraak: 29 november 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], wonend te Oss,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2016 in zaak nr. SHE 16/2793 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Oss.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2016 heeft de burgemeester gelast dat de woning aan de [locatie] te Oss voor de duur van zes maanden wordt gesloten met ingang van 22 juni 2016 tot 22 december 2016.
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2017, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door P.J.A. Engelvaart, rechtsbijstandverlener te Waalwijk en de burgemeester, vertegenwoordigd door P.W.B. Verhoeven, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van de woning aan de [locatie] te Oss. Zij verhuren deze woning aan arbeidsmigranten. Naast dit pand verhuren zij nog een groot aantal andere panden. De woning aan de [locatie] is op grond van artikel 13b van de Opiumwet door de burgemeester 6 maanden gesloten vanwege het aantreffen van 1,5 kilo amfetamine, 42 xtc pillen en 783 gram hennep en het aantreffen van een aantal wapens. Tegen het besluit tot sluiting zijn [appellant A] en [appellant B] opgekomen.
Hoger beroep
2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de voorzieningenrechter het betoog dat zij niet als overtreder kunnen worden aangemerkt ten onrechte niet heeft beoordeeld.
2.1. Zoals de voorzieningenrechter onder 7 van de bestreden uitspraak met juistheid heeft overwogen, maakt de stelling van verzoekers dat zij niet wisten dat de harddrugs in de woning aanwezig waren, niet dat de burgemeester daardoor niet meer bevoegd zou zijn tot sluiting van de woning over te gaan (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2616). Voor de bevoegdheid om de woning te sluiten is de wetenschap van [appellant A] en [appellant B] van de aanwezigheid van de drugs en of zij degenen zijn die de Opiumwet hebben overtreden niet van belang. Dat zij geen overtreder zijn, laat de bevoegdheid om de woning te sluiten derhalve onverlet.
Het betoog van [appellant A] en [appellant B] faalt.
3. [appellant A] en [appellant B] betogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840 dat de voorzieningenrechter in strijd met deze uitspraak heeft geoordeeld dat het beleid van de burgemeester neergelegd in het Beleid inzake bestuurlijke handhaving van art. 13b Opiumwet gemeente Oss 2016 (hierna: het handhavingsbeleid) dat de mogelijkheid biedt bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs over te gaan tot sluiting niet in strijd is met de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet. Ook betogen zij dat de voorzieningenrechter ten onrechte onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling heeft overwogen dat dit handhavingsbeleid in het algemeen niet onredelijk wordt geacht.
Zij betogen dat deze uitgangspunten met de uitspraak van 26 oktober 2016 zijn verlaten en dat thans in het concrete geval moet worden beoordeeld of de toepassing van de sanctie tot onevenredige gevolgen leidt.
3.1. De uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016 ziet op de wijze waarop moet worden bezien of aanleiding bestaat van beleid af te wijken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De uitspraak ziet dus niet op de inhoud van het beleid. Uit deze uitspraak volgt dus niet dat de uitgangspunten uit de jurisprudentie van de Afdeling over het beleid ten aanzien van artikel 13b van de Opiumwet, die de voorzieningenrechter onder 9 van de uitspraak aanhaalt, zijn verlaten.
De voorzieningenrechter heeft daarom terecht de uitgangspunten toegepast, zoals die volgen uit de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388. Daaruit volgt dat beleid dat bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs over wordt gegaan tot sluiting niet in strijd is met de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet en dat dit beleid in het algemeen niet onredelijk wordt geacht.
Het betoog faalt.
4. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de burgemeester ten onrechte niet heeft beoordeeld of de gevolgen van de sluiting voor 6 maanden wegens bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb onevenredig zijn met het doel van de sluiting.
[appellant A] en [appellant B] betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgronden dat onvoldoende aandacht is besteed aan alternatieven om hetzelfde resultaat te bereiken. Zij betogen dat met het direct sluiten van de woning het doel bereikt was, namelijk het beëindigen van de situatie. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de duur van 6 maanden onnodig is en daarom onevenredig. Zij betogen dat niet volstaan kan worden met een verwijzing naar het algemeen belang om de evenredigheid van de duur van de sluiting te onderbouwen.
[appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze zijn volgens hen gelegen in het feit dat niet gebleken is van dealen vanuit de woning of andere vormen van drugsgerelateerde activiteiten. Het aantreffen van de drugs berust op een toevalstreffer en er waren geen aanwijzingen voor drugshandel. Voorts betogen zij dat zij strikte leefregels hanteren in de door hen verhuurde huizen en deze strikt controleren. Indien deze worden overtreden wordt de huurovereenkomst ontbonden. Door de sluiting lopen zij inkomsten mis en lijden zij reputatieschade. Zij vinden dat gelet op deze schade de sluiting voor 6 maanden onevenredig is, omdat deze niet nodig is om de overtreding van de Opiumwet te beëindigen.
4.1. In hoofdstuk 3 van het handhavingsbeleid is bepaald dat indien in woningen grootschalige drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst I (harddrugs) met een hoeveelheid van meer dan 1.000 gram en/of 2.000 pillen bij een eerste constatering een sluiting plaatsvindt van zes maanden.
In hoofdstuk 5 van het handhavingsbeleid worden onder 5 en 8 respectievelijk de aanwezigheid van wapens en de combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en II als verzwarende indicatoren genoemd op grond waarvan een langere periode van sluiting kan worden toegepast. De burgemeester heeft geen aanleiding gezien een langere periode van sluiting op te leggen.
4.2. Bij de toepassing van het beleid dient de burgemeester alle relevante feiten en omstandigheden, alsmede alle indicatoren, zowel belastende als ontlastende, zorgvuldig in kaart te brengen en vervolgens een afweging te maken van deze feiten, omstandigheden en indicatoren om te beoordelen of de situatie dermate ernstig is dat sluiting moet volgen, dan wel dat met een waarschuwing kan worden volstaan.
4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2388 is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet enkel van toepassing als vanuit het pand wordt gedeald, maar ook als in een pand drugs aanwezig zijn die elders zijn of zullen worden verkocht, maar in of vanuit het pand zullen worden afgeleverd of verstrekt. De hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, en derhalve dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is.
De in het pand aangetroffen hoeveelheid harddrugs is groter dan de in het beleid genoemde hoeveelheid. De burgemeester mocht er gelet op de aangetroffen hoeveelheden vanuit gaan dat deze voor de handel bedoeld waren en dat sprake was van grootschalige handel.
Zoals de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak eerder heeft overwogen is het voor het ontstaan van de in artikel 13b van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van harddrugs in de woning heeft geleid tot een verstoring van de openbare orde.
4.4. In het in het besluit op bezwaar overgenomen advies van de commissie bezwaarschriften staat dat de door [appellant B] en [appellant A] aangevoerde omstandigheden waaronder de financiële gevolgen en het gebrek aan kennis over de overtredingen geen bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot het afwijken van het beleid. Daarbij wijst de burgemeester er op dat de maatregel gericht is op de woning en beoogd wordt dat de openbare orde en de rust in de woonomgeving worden hersteld en dat de loop naar de woning wordt verbroken.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.
w.g. Polak w.g. Rietberg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2017
725.