Rechtspraak Raad van State 2017-11-29
ECLI:NL:RVS:2017:3244
201608119/1/A1. Datum uitspraak: 29 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Woudenberg, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 september 2016 in zaken nrs. 14/6100 en 15/5435 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg. Procesverloop Bij besluit van 18 maart 2014 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het legaliseren van een serre aan de woning [locatie] te Woudenberg (hierna: het perceel) en ter zake van het in behandeling nemen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning leges ten bedrage van € 1.503,35 in rekening gebracht. Bij besluit van 8 september 2014 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 september 2014 vernietigd voor zover dat ziet op de leges. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 14 december 2016 heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van de leges een nieuw besluit op bezwaar genomen. [appellant] heeft tegen het besluit van 14 december 2016 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgezonden aan de Afdeling. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door B. Bouwman en A. van de Bovenkamp, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] is eigenaar van de woning die is gelegen op het perceel. Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010" en de eerste herziening daarvan "Buitengebied Woudenberg 2013 (herziening)" (hierna tezamen: het bestemmingsplan). Op 16 oktober 2013 heeft [appellant] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van een in aanbouw zijnde serre. Het college heeft deze aanvraag geweigerd omdat het bouwplan niet voldoet aan de bebouwingsbepalingen die behoren bij het bestemmingsplan en aan de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid. Weliswaar is het mogelijk om op grond van artikel 4, eerste lid, onder b, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van een bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom, maar hiertoe is het college niet bereid. Daarbij heeft het college de "Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden gemeente Woudenberg 2012" in aanmerking genomen, op grond waarvan aan een afwijking medewerking wordt verleend als er sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing en van de noodzaak om van het bestemmingsplan af te wijken. Volgens het college heeft [appellant] deze noodzaak niet aangetoond. 2. De relevante regelgeving, waaronder de relevante regels van het bestemmingsplan, is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Beoordeling van het hoger beroep 3. De vraag die partijen in hoger beroep verdeeld houdt, is of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde medewerking te weigeren om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechtbank heeft in dat verband overwogen dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Het college mocht zich aldus de rechtbank op de beleidsregels inzake afwijkingen van het bestemmingsplan beroepen. Volgens de rechtbank is dit beleid niet onredelijk en heeft het college in voldoende mate rekening gehouden met de belangen van [appellant] en in redelijkheid kunnen beslissen geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid de strijdighe 4.4. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat het college ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat met het overleggen van een doktersverklaring de noodzakelijkheid zonder meer zou zijn aangetoond. Uit het proces-verbaal bij de rechtbank volgt slechts dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld nadere gegevens, waaronder een doktersverklaring, in te dienen teneinde de noodzakelijkheid alsnog met voldoende concrete gegevens te onderbouwen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de door [appellant] in beroep overgelegde doktersverklaring enkel wordt onderbouwd dat [appellant] verminderd mobiel is, maar niet dat in afwijking van het bestemmingsplan een uitbreiding van de woning middels de serre noodzakelijk is. 4.5. De in hoger beroep aangevoerde omstandigheid dat de gezondheidssituatie van [appellant] inmiddels zodanig is verslechterd, dat de noodzaak om af te wijken van het bestemmingsplan nu wel is aangetoond, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat voor de beoordeling van het besluit 8 september 2014 de feitelijke situatie zoals die gold ten tijde van dat besluit van belang is. 4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het betoog. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De rechtbankuitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd. Beroep tegen het besluit van 14 december 2016 6. De rechtbank heeft het besluit van 8 september 2014 vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de leges, omdat het college onbevoegd is tot het nemen van een besluit op het bezwaar ten aanzien van de leges. Bij het besluit van 14 december 2016 heeft de heffingsambtenaar ten aanzien van de leges een nieuw besluit op bezwaar genomen. [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroepschrift is, gelet op de lopende hogerberoepsprocedure bij de Afdeling, door de rechtbank voor behandeling doorgezonden aan de Afdeling. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of zij bevoegd is van het beroep kennis te nemen. 6.1 Het besluit is gebaseerd op de legesverordening en de daarbij behorende tarieventabel. De legesverordening vindt haar grondslag in artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet, waarin de bevoegdheid van de gemeente om leges te heffen is neergelegd. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, geschieden heffing en invordering van die belasting met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), als ware die belasting een rijksbelasting. Het besluit van 14 december 2016 dient daarom in zoverre te worden aangemerkt als genomen ingevolge de Awr, zodat hoofdstuk V van de Awr (Bezwaar en beroep) hierop van overeenkomstige toepassing is. Het in dit hoofdstuk neergelegde systeem van rechtsbescherming brengt mee dat belanghebbenden ingevolge artikel 26 van de Awr, gelezen in verbinding met artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), beroep bij de rechtbank kunnen instellen, en gelet op het bepaalde in artikel 12 van bijlage 2 van de Awb bij het gerechtshof hoger beroep kunnen instellen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH2527. Gelet hierop is de Afdeling onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. 6.2 De Afdeling zal het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden aan de rechtbank Midden-Nederland. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. verklaart zich onbevoegd om van het beroep tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Woudenberg van 14 december 2016, met kenmerk 174948/178531, kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier. w.g. Daalder w.g. Montagne lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het ope