Rechtspraak Raad van State 2017-11-22
ECLI:NL:RVS:2017:3199
201608545/1/A3. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], handelend onder de naam [café], wonend te Eindhoven, appellante, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 4 oktober 2016 in zaak nrs. 16/2534 en 16/2501 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Eindhoven. Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2016 heeft de burgemeester bevolen dat het horecabedrijf aan de [locatie] in Eindhoven, waar het café van [appellante] is gevestigd, voor drie maanden wordt gesloten, met ingang van 18 februari 2016. Bij besluit van 1 juli 2016 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 oktober 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.J.M.J. Heutink, zijn verschenen. Overwegingen Wet- en regelgeving 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding 2. Op 26 september 2014 heeft de burgemeester aan [appellante] ten behoeve van het café een vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW-vergunning). De burgemeester heeft van de politie Eindhoven Zuid een op 27 januari 2015 opgemaakte bestuurlijke rapportage over incidenten in en om het café in 2014, een op 27 oktober 2015 op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage over incidenten in en om het café op 11 en 18 oktober 2015 en een op 8 december 2015 op ambtseed opgemaakte aanvulling op beide rapportages ontvangen. In de genoemde rapportages zijn de volgende incidenten opgenomen: - een mishandeling in het café op vrijdag 19 september 2014; - openlijke geweldpleging op 5 oktober 2014 ter hoogte van het café waarbij bezoekers van het café als verdachte(n) waren betrokken; - een mishandeling gepleegd op 12 oktober 2014 in het café, waarvan aangifte is gedaan bij de politie. Aangeefster met scherp voorwerp in gezicht gesneden; - op 19 oktober 2014, ruzie voor het café, groep uiteengedreven door politie te paard; - op 7 januari 2015 vechtpartij voor de ingang van het café; - op 14 mei 2015 massale vechtpartij op het terras van het café; - op 11 oktober 2015 ruzie in het café die buiten doorgaat. Politie treft bloedende man aan op terras met hoofd- en schouderwond. Vermoedelijk gestoken. Naar ziekenhuis voor behandeling; - een zware mishandeling op 18 oktober 2015, waarbij een klant in de toiletruimte in het café door een andere klant diverse malen in het gezicht werd geslagen en eenmaal in zijn wang werd gebeten. Operatie in ziekenhuis. Slachtoffer heeft 6 weken niet kunnen werken; - op 4 december 2015 werd op het terras van het café een man die op de grond lag vastgehouden door een ander persoon terwijl een andere man de op de grond liggende man diverse malen opzettelijk sloeg en minstens eenmaal met de geschoeide voet schopte, terwijl het slachtoffer werd vastgehouden; - op 9 december 2015 ruzie tussen verschillende personen op het terras van het café. Politie haalt de mensen uit elkaar. De burgemeester heeft verder van de politie Eindhoven Zuid een op 23 december 2015 op ambtseed opgemaakte sfeerrapportage ontvangen. Hieruit blijkt onder meer dat veel bezoekers van het café structureel voorkomen in de bedrijfssystemen van de politie, met name vanwege druggerelateerde strafbare feiten, geweldpleging, waaronder vuurwapengeweld, en vermogensdelicten. Daarnaast heeft de politie in deze rapportage vermeld dat als er zich incidenten in of bij het café voordoen, zowel [appellante] als haar personeel en b Tevens is volgens [appellante] van belang dat zij direct na de vooraankondiging van het bevel tot sluiting maatregelen heeft getroffen om in de toekomst incidenten te kunnen voorkomen. Incidenten zijn vervolgens uitgebleven. Hoewel de periode kort was, wordt ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat zich ook gedurende carnaval geen nieuwe incidenten hebben voorgedaan. Die periode is volgens [appellante] te vergelijken met een paar weekenden, althans drukke vrij- en zaterdagen, achter elkaar. 8.1. De rechtbank heeft allereerst terecht overwogen dat de burgemeester en de rechter in beginsel mogen uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Dat in het bestuursrecht een vrije bewijsleer geldt, zoals [appellante] heeft gesteld, doet aan dit uitgangspunt niet af. De rechtbank heeft voorts in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de burgemeester niet mocht uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportages van de politie en de daarin beschreven incidenten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellante] weliswaar heeft gesteld dat de inhoud van de bestuurlijke rapportages onjuist is, maar dit niet heeft onderbouwd met stukken. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat uit de bestuurlijke rapportages afdoende blijkt dat de incidenten zich hebben afgespeeld in het café of in de directe omgeving daarvan en dat daarbij personen waren betrokken die in het café aanwezig waren of die het café net hadden bezocht. De Afdeling verwijst hierbij naar de onder 2. genoemde incidenten. [appellante] heeft bovendien, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, tijdens het zienswijzegesprek op 28 januari 2016 erkend dat de situatie rondom haar café te onrustig was en dat zij mensen in haar café had die zij niet binnen wilde hebben. Gelet hierop is voldoende komen vast te staan dat de incidenten verband houden met de exploitatie van het café. Wat betreft het betoog van [appellante], dat uit de zinsnede "indien ten gevolge" in hoofdstuk 13 van het HSP volgt dat een causaal verband moet bestaan tussen de exploitatie en de incidenten, wordt overwogen dat uit jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2493) kan worden afgeleid dat voor het ontstaan van de bevoegdheid tot sluiting sprake moet zijn van een "direct verband" tussen de incidenten en de exploitatie van de inrichting. Hierbij is bepalend of de incidenten verband houden met het in bedrijf zijn van het café. Zoals hiervoor overwogen, doet die situatie zich hier voor. De rechtbank heeft voorts terecht onder verwijzing naar bestaande jurisprudentie van de Afdeling overwogen dat bij de beoordeling of zich situaties voordoen die tot tijdelijke sluiting van het horecabedrijf nopen, geen betekenis toekomt aan de mate waarin het ontstaan van die situaties de exploitant kan worden verweten. Dat de casus in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 april 2007 anders was dan de onderhavige, doet daar niet aan af. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de burgemeester zich op grond van de inhoud van de bestuurlijke rapportages in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een opeenstapeling van incidenten met een ernstige aantasting van de openbare orde of leefomgeving als gevolg en dat het incident van 18 oktober 2015 een ernstig incident was. Gelet op de cumulatie van incidenten en het ernstige incident van 18 oktober 2015 is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat de burgemeester bevoegd was om over te gaan tot een directe sluiting van het café als bedoeld in hoofdstuk 14 en 17 van het HSP. Wat betreft de door [appellante] naar aanleiding van de vooraankondiging van het bevel tot sluiting getroffen maatregelen om incidenten te voorkomen heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester