Rechtspraak Raad van State 2017-11-22
ECLI:NL:RVS:2017:3198
201607945/1/R2. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [de maatschap], gevestigd te [plaats], waarvan de maten zijn [maten], allen wonend te Beuningen, appellante, en de staatssecretaris van Economische Zaken (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat) en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het college op grond van artikel 19a van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) het beheerplan Dinkelland vastgesteld. Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 19b van de Nbw 1998 het beheerplan Dinkelland vastgesteld voor het deel waarvoor hij het bevoegd gezag is. [appellante] heeft tegen het beheerplan beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2017 waar het college, vertegenwoordigd door mr. H. Hams en M.F. Verheijen-ten Kate, is verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het gebied "Dinkelland" is ter uitvoering van de Europese Habitatrichtlijn bij besluit van 4 juli 2013 aangewezen als Natura 2000-gebied. Het beheerplan Dinkelland heeft betrekking op dit gelijknamige gebied. Bij de aanwijzing als Natura 2000-gebied zijn doelstellingen geformuleerd voor de beschermenswaardige habitattypen en -soorten die in het gebied aanwezig zijn. Het gebied "Dinkelland" is onder meer aangewezen voor het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C). Voor dit habitattype is als instandhoudingsdoelstelling opgenomen "behoud oppervlakte en verbetering van kwaliteit". Na de aanwijzing van het gebied als Natura 2000-gebied is in de gebiedsanalyse ‘Natura 2000 Gebiedsanalyse Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Dinkelland’ (hierna: de gebiedsanalyse) beoordeeld welke maatregelen getroffen moeten worden en op welke wijze om de in het aanwijzingsbesluit gestelde doelstellingen te bereiken. Onder andere de gebiedsanalyse en de daarin vermelde maatregelen maken onderdeel uit van het beheerplan. De maatregelen die uit de gebiedsanalyse zijn overgenomen in het beheerplan ten behoeve van het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C) zijn mede het dempen van de benedenstroomse delen van leggerwaterlopen die uitmonden in de Dinkel (M1e) en het verwerven van gronden of vergoeden van vernattingsschade als gevolg van deze maatregel in Dinkeldal (M1d). 2. [appellante] exploiteert een agrarisch bedrijf nabij het Natura 2000-gebied Dinkelland. Zij heeft tevens gronden in eigendom in en rond het gebied waarop het beheerplan betrekking en waarvoor het mogelijk gevolgen heeft. Volgens [appellante] leidt het beheerplan ertoe dat op korte afstand van het bedrijf de benedenstroomse delen van leggerwaterlopen die uitmonden in de Dinkel worden gedempt. Zij heeft beroep ingesteld tegen het beheerplan omdat de waterlopen een belangrijke functie in de afwatering van haar percelen hebben. Zij vreest dat haar bedrijfsvoering ernstig zal worden belemmerd als gevolg van de hydrologische maatregelen die in het gebied ‘Dal van de Dinkel’ zullen worden genomen. Wettelijk kader 3. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en is de Nbw 1998 ingetrokken. Omdat het bestreden besluit is genomen vóór 1 januari 2017 volgt uit artikel 9.10, derde lid, van de Wnb dat dit geschil moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht, dat wil zeggen de Nbw 1998. De relevante wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Beroepsgronden 4. [appellante] betoogt dat het beheerplan niet had kunnen worden vastgesteld met de daarin voorgenomen hydrologische maatregelen in het gebied ‘Dal van de Dinkel’. Daartoe voert zij aan dat nog uit onderzoek moet blijken wat de drainerende werking van de leggerwaterl In het beheerplan zijn in het kader van de herstelstrategie ten behoeve van het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C) in het gebied Dinkeldal onder andere de volgende herstelmaatregelen opgenomen: M1c: ‘Omleggen waterlopen in Dinkeldal’; M1d: ‘Verwerven van grond of vergoeden vernattingsschade in verband dempen waterloop Dinkeldal’; M1e: ‘Onderzoek drainerende werking leggerwaterlopen in Dinkeldal’; M13: ‘Herstel hydrologie & beheer: Onderzoeksopgave: toestand vegetatie, abiotiek en vroegere en actuele beheer habitattype H91E0C in Dinkeldal in beeld brengen, knelpunten in waterhuishouding en beheer voor dit habitattype vaststellen; het onderzoek richt zich mede op knelpunten in mbt verdroging, wegvallen kwel, wegvallen overstroming in Beneden-Dinkel traject en te hoge input nutriënten door overstroming’. 4.3. In de bijlage bij deze uitspraak is artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 opgenomen dat bepaalt dat een beroep tegen de vaststelling van een beheerplan als bedoeld in artikel 19a uitsluitend betrekking kan hebben op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen. Hieruit volgt dat ingeval van een beroep tegen een besluit tot de vaststelling van een beheerplan de Afdeling eerst moet beoordelen in hoeverre zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep. 4.4. De Afdeling overweegt dat de bezwaren van [appellante] zijn gericht tegen het hieronder weergegeven deel van het beheerplan waarin is beschreven welke instandhoudingsmaatregelen ten behoeve van het habitattype vochtige alluviale bossen (H91E0C) dienen te worden getroffen en op welke wijze. Het college heeft onder verwijzing naar paragraaf 6.3 van het beheerplan toegelicht dat in het beheerplan de effecten van bepaalde maatregelen op de instandhoudingsdoelstellingen zijn beschreven. Op basis van die beschrijvingen en de daarbij in voorkomend geval gestelde voorwaarden is in het beheerplan geconcludeerd, dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van die maatregelen zijn uitgesloten. De effecten van de maatregelen aangeduid als M1d en M1e op de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet in het beheerplan beschreven omdat nog specifieke informatie over de wijze van uitvoering ontbreekt. Voor de uitvoering van deze maatregelen zal het bevoegd gezag nog moeten beoordelen wat de effecten daarvan zijn op de instandhoudingsdoelstellingen en of deze handelingen al dan niet vergunningplichtig zijn. Dit betekent dat de maatregelen waartegen [appellante] ageert, niet op grond van artikel 19d, tweede lid, van de Nbw 1998 zijn vrijgesteld van de vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid van dat artikel. Daarmee is het beroep van [appellante] naar het oordeel van de Afdeling niet gericht tegen delen van het beheerplan waartegen beroep openstaat gelet op het bepaalde in artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998. Conclusie 5. De Afdeling is gelet op het bepaalde in artikel 39, tweede lid, van de Nbw 1998 onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Dit betekent dat de Afdeling niet inhoudelijk kan ingaan op de door [appellante] naar voren gebrachte beroepsgronden. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 7. Redelijke toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht voor het beroep terugbetaalt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen; II. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan de [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 334,00 (zegge: driehonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep terugbetaalt. Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Rei