Rechtspraak Raad van State 2017-11-22
ECLI:NL:RVS:2017:3196
201700635/1/A3. Datum uitspraak: 22 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Zeeland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een generieke ontheffing van het verbod om anders dan op of van een luchthaven te landen of op te stijgen (hierna: TUG-ontheffing) afgewezen. Bij besluit van 19 augustus 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 april 2015 in zaak nr. 14/5816 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 augustus 2014 vernietigd en het college opgedragen binnen zestien weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Bij uitspraak van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2256, heeft de Afdeling het door het college daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 13 december 2016 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 19 oktober 2017 heeft het college de motivering van het besluit van 13 december 2016 nader aangevuld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.M. Schnitker, F.P.J. Moorman, P.J.J. van Asch en ing. J.W.C. Fuijkkink, en het college, vertegenwoordigd door B.H. Maring, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] heeft een eenmanszaak die zich toelegt op de import van paramotor-producten en die op commerciële basis onderwijs en trainingen op het gebied van paramotorvliegen en het vliegen met paramotorvliegtuigen aanbiedt. Op 20 september 2012 heeft hij een aanvraag ingediend bij het college voor een generieke ontheffing voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen in de provincie Zeeland voor het opstijgen en landen van vier gemotoriseerde schermvliegtuigen. Paramotorvliegtuigen, ook bekend als gemotoriseerde schermvliegtuigen, zijn van een hulpmotor voorziene zweeftoestellen die door middel van een scherm in de lucht kunnen zweven. Volgens de aanvraag zal de ontheffing gebruikt worden voor commerciële lesvluchten, dealerverkoopproefvluchten en controle- en onderhoudsvluchten in besloten kring. 2. Het college heeft bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 oktober 2012 de aanvraag afgewezen. Het college heeft daartoe overwogen dat het vliegen met een paramotorvliegtuig dient te worden aangemerkt als gemotoriseerde luchtsport. Het college heeft vervolgens overwogen dat in de Beleidsregels ontheffingen tijdelijk en uitzonderlijk gebruik luchtvaart provincie Zeeland (hierna: de Beleidsregels) is bepaald dat een aanvraag om een generieke TUG-ontheffing voor gemotoriseerde luchtsport wordt afgewezen. Er doet zich geen bijzondere omstandigheid voor die tot afwijking van de beleidsregels zou moeten leiden, aldus het college. 3. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 augustus 2016 geconcludeerd dat het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 21 april 2015 een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Dit betekent dat het college nader onderzoek moest verrichten naar de mate van geluid die de onderscheiden luchtsporten produceren. Het college moest vervolgens aandacht besteden aan de vraag of, gelet op de mate van geluid die de onderscheiden gemotoriseerde luchtsporten produceren, daarvoor wel of niet de mogelijkheid van verlening van een generieke TUG-ontheffing moet bestaan, aldus de Afdeling. 4. Bij het besluit van 13 decemb Hij wijst erop dat alleen onderzoek is gedaan naar de geluidproductie van paramotors, terwijl opdracht was gegeven tot het doen van onderzoek naar een aantal luchtsporten. Hierdoor is het niet mogelijk de mate van geluidproductie van paramotors te vergelijken met die van andere luchtsporten. Door niet te onderzoeken op welke wijze maatwerk kan worden toegepast, maar door in zijn algemeenheid te bepalen dat paramotors de stilte en de waarde van een rustig platteland verstoren en gelijktijdig te stellen dat het beleid paramotorvliegen niet uitsluit, hetgeen onjuist is, wordt duidelijk dat het beleid van het college er uitsluitend op gericht is om paramotors uit Zeeland te bannen. De Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking) die door het college wordt gehanteerd als referentiekader voor paramotorvliegen is niet het juiste instrument, vooral niet omdat deze in het geval van paramotorvliegen niet de mogelijkheid biedt om maatwerk toe te passen, hetgeen een van de uitgangspunten van de Handreiking is. Het college richt zich met zijn ambitie tot het verminderen van geluidhinder ten onrechte tot één geluidbron. Er had een integrale toetsing van alle geluiddragers moeten plaatsvinden. Zo maken auto’s, scooters en motorboten meer geluid dan paramotorvliegtuigen. Het college grijpt door het opstijgen van paramotorvliegtuigen onmogelijk te maken ten onrechte in in het beleid voor de indeling en het gebruik van het luchtruim waarvoor thans de minister van Infrastructuur en Waterstaat verantwoordelijk is aangezien dit provinciegrenzen overstijgt. In plaats van een algeheel verbod was het beter geweest als het college de geluidhinder zou reguleren van klein vliegverkeer door operationele maatregelen in het leven te roepen, zoals bijvoorbeeld in de vorm van vluchtuitvoeringsbeperkingen en gedifferentieerde openingstijden in de te verlenen TUG-ontheffingen, aldus [appellant]. 8.1. Artikel 8.1a, eerste lid, van de Wet luchtvaart, luidt als volgt: "Het is verboden met een luchtvaartuig op te stijgen of te landen, anders dan van of op een luchthaven." Artikel 8a.51, eerste lid, luidde ten tijde van belang als volgt: "Gedeputeerde staten kunnen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van een terrein ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 8.1a, eerste lid, indien het terrein wordt gebruikt door een luchtvaartuig dat behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie." Artikel 21 van het Besluit burgerluchthavens luidde ten tijde van belang als volgt: "Als luchtvaartuig als bedoeld in artikel 8a.51 van de wet worden aangewezen: a. helikopters; b. vrije ballonnen bestemd en ingericht voor bemande vluchten; c. zweeftoestellen; d. micro light aeroplanes; e. RPA’s waarvan de totale massa meer dan 25 kilogram maar niet meer dan 150 kilogram bedraagt; f. vliegtuigen die deelnemen aan een luchtvaartvertoning; g. watervliegtuigen; h. landbouwluchtvaartuigen; i. luchtschepen die op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting hebben van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 kubieke meter." In artikel 1 van de Beleidsregels is ‘gemotoriseerde luchtsporten’ als volgt gedefinieerd: "het in wedstrijdverband, ter voorbereiding op wedstrijden of voor recreatieve doeleinden gebruiken van gemotoriseerde luchtvaartuigen, daaronder onder meer begrepen: modelvliegtuigen, ultra lichte vliegtuigen, micro light aeroplanes, schermvliegtuigen en paramotorvliegen". 8.2. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2016 was het college gehouden onderzoek te doen naar de mate van geluid die onderscheiden gemotoriseerde luchtsporten produceren. Het college heeft alleen onderzoek laten verrichten naar de geluideffecten van paramotorvliegtuigen. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het college de relevante gemotoriseerde luchtsporten in aanmerking heeft genomen. Uit onderzoek naar de wijze waarop provincies omgaan met aanvragen voor een