Rechtspraak Raad van State 2017-11-21
ECLI:NL:RVS:2017:3179
201706892/2/R3. Datum uitspraak: 21 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer: 1. [verzoeker sub 1], wonend te Groningen, 2. [verzoeker sub 2A] en [verzoeker sub 2B], beiden wonend te Groningen, verzoekers, en de raad van de gemeente Groningen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 28 juni 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Uitvaartfaciliteit Hoendiep" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] beroep ingesteld. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker sub 1] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [verzoekers sub 2] hebben bij afzonderlijke brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 november 2017, waar [verzoeker sub 1] en de raad, vertegenwoordigd door S.P. Postma, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Algemeen Belang Uitvaartverzorging en -verzekering en Dela Uitvaartverzorging N.V., vertegenwoordigd door E. de Niet, bijgestaan door mr. A.A. van den Brand, advocaat te Eindhoven, gehoord. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Het verzoek van [verzoeker sub 1] 2. Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb luidt: "Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de gronden van het bezwaar of beroep." Artikel 6:6 luidt: "Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn." Artikel 8:38, eerste lid, luidt: "Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden stuk terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk een week daarna in de basisregistratie personen stond ingeschreven op het op het stuk vermelde adres, dan verzendt hij het stuk zo spoedig mogelijk bij gewone brief." 3. [verzoeker sub 1] heeft de gronden van zijn beroep niet vermeld. Bij aangetekend verzonden brief van 25 augustus 2017 is [verzoeker sub 1] gewezen op dit verzuim en is hij tot en met 22 september 2017 in de gelegenheid gesteld het te herstellen. Hierbij is vermeld dat wanneer [verzoeker sub 1] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, hij ervan moet uitgaan dat niet-ontvankelijkverklaring zal volgen en dat zijn zaak dan niet inhoudelijk wordt behandeld. Deze aangetekend verzonden brief is door PostNL op 28 augustus 2017 aangeboden aan [verzoeker sub 1]. Nadat deze op 12 september 2017 bij de Raad van State retour was ontvangen wegens het niet afhalen na een door PostNL achtergelaten kennisgeving, is deze brief op 13 september 2017, overeenkomstig artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, opnieuw per gewone post aan het adres van [verzoeker sub 1] gezonden. In de begeleidende brief van 13 september 2017 wordt [verzoeker sub 1] erop gewezen dat indien in de brief van 25 augustus 2017 een termijn is gesteld, deze onveranderd is gebleven. [verzoeker sub 1] heeft de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn alsnog ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [verzoeker sub 1] in verzuim is geweest. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het beroep van [verzoeker sub 1] in de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechte