Rechtspraak Raad van State 2017-11-15
ECLI:NL:RVS:2017:3147
201606442/1/A1. Datum uitspraak: 15 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Nijkerkerveen, gemeente Nijkerk, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juli 2016 in zaak nr. 15/6822 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk. Procesverloop Bij besluit van 3 december 2014 heeft het college [appellant] gelast de opslag van mest te beëindigen en beëindigd te houden en een bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest (hierna: de mestopslag) te verwijderen en verwijderd te houden op het perceel [locatie] te Nijkerkerveen (hierna: het perceel) onder het opleggen van een dwangsom van € 2.500,00. Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaak nr. 201606455/1/A1, behandeld op 18 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. D.S. Muller, advocaat te Harderwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.I. Liesdek, zijn verschenen. Vervolgens zijn de zaken gesplitst. Overwegingen 1. [appellant] is eigenaar van het perceel en houdt daar hobbymatig een aantal paarden, twee honden en kippen. 2. Niet in geschil is dat op het perceel op het nabij de woning gelegen weiland mest wordt opgeslagen. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de mestopslag geen bouwwerk is. [appellant] voert daartoe aan dat om de mestplaat planken zijn neergezet die ertoe dienen om het zeil en de mest op zijn plek te houden. Volgens [appellant] zijn die planken niet duurzaam met de grond verenigd en vinden die direct of indirect geen steun in of op de grond. 3.1. Het begrip bouwwerk is in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 12 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7117), kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) aansluiting worden gezocht bij de definitie van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze definitie luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren". 3.2. E. van Meurs, werkzaam bij de gemeente, heeft op 18 juli 2014 onderzoek gedaan naar de situatie op het perceel. De conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in een notitie "Inspectieformulier bouw en/of gebruik". In deze notitie bevinden zich foto’s van de mestopslag. Gelet op deze foto’s vormen de houten paaltjes en houten schotten die de mest aan twee zijden omheinen, een constructie van enige omvang die met de grond is verbonden door middel van in de grond geslagen houten palen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze mestopslag bedoeld is om langere tijd op dezelfde plek te blijven. Daarbij is van belang dat, naar niet in geschil is, vanwege milieuvoorschriften geen mest mag worden uitgereden in de periode van oktober tot maart zodat de mestopslag in die periode in ieder geval niet wordt verplaatst of verwijderd. Aldus heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de mestopslag een bouwwerk is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt verder dat voor zover de mestopslag wel als bouwwerk is aan te merken, de rechtbank niet heeft onderkend dat de mestopslag een bouwwerk is waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 21 van Bijlage II behorend bij het [appellant] vindt steun voor dit betoog in de omstandigheid dat het houden van dieren in het bestemmingsplan is toegestaan terwijl er geen regeling is getroffen voor de opslag van de mest van deze dieren. 5.1. Artikel 27.1 van de planvoorschriften luidt: "Het is verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde." Artikel 27.2 luidt: " Een verboden gebruik als bedoeld in lid 27.1, is in ieder geval: (…) d. het gebruik van onbebouwde gronden als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden. 5.2. Niet in geschil is dat [appellant] de als "Agrarisch" bestemde gronden op het perceel hobbymatig gebruikt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat deze gronden niet worden gebruikt ten behoeve van agrarische bedrijvigheid als bedoeld in artikel 3.1 van de planvoorschriften. Hieruit vloeit voort dat het gebruik van de als Agrarisch bestemde gronden voor de opslag van mest geen verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden als bedoeld in artikel 27.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. [appellant] kan daarom niet met succes een beroep doen op dat artikel. De door [appellant] naar voren gebrachte omstandigheid dat het houden van dieren in het bestemmingsplan is toegestaan terwijl er geen regeling is getroffen voor de mestopslag van deze dieren, leidt niet tot het oordeel dat de opslag van mest wel verband zou houden met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden als bedoeld in artikel 27.2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. Het betoog faalt. 6. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor zover de opslag van mest in strijd is met de planvoorschriften, deze activiteit slechts incidenteel plaatsvindt. [appellant] verwijst bij zijn betoog naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2005; ECLI:NL:RVS:2005:AT37089 en artikel 3.65 van de Activiteitenregeling milieubeheer. 6.1. Blijkens de gedingstukken wordt jaarlijks van oktober tot maart mest op het perceel opgeslagen. Vervolgens wordt de mest in het voorjaar uitgereden en eind september opnieuw. Dit betekent dat er ook mest op het perceel wordt opgeslagen tussen de maanden oktober en maart. Onder vorenvermelde omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik voor de opslag van mest niet kortdurend en incidenteel is. [appellant] verwijst bij zijn betoog tevergeefs naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 april 2005. In deze uitspraak duurde het met het bestemmingsplan afwijkende gebruik minder lang dan in de onderhavige zaak, maar de Afdeling heeft desalniettemin geoordeeld dat dit gebruik niet zodanig kortdurend en incidenteel is dat de in die zaak geldende planvoorschriften zich daartegen niet verzetten. Het betoog faalt. 7. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant] gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo, zodat het college terzake handhavend kon optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 8. [appellant] betoog