Rechtspraak Raad van State 2017-11-15
ECLI:NL:RVS:2017:3132
201701709/1/R1. Datum uitspraak: 15 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Egmond aan Zee, gemeente Bergen, 2. [appellant sub 2], wonend te Egmond aan Zee, gemeente Bergen, 3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], wonend te Egmond aan Zee, gemeente Bergen, en de raad van de gemeente Bergen, NH, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "2e Herziening Egmonden" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] hebben nadere stukken ingediend. Desgevraagd heeft [belanghebbende A] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 oktober 2017, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. H. Martens, rechtsbijstandverlener te Assen, [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.C.K.K. Fa-Si-Oen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende B], [belanghebbende C], bijgestaan door [gemachtigde], en de Vereniging van Eigenaren van Residence Seeduyne met de adressen Boulevard 24 t/m 68 te Egmond aan Zee (hierna: VvE), vertegenwoordigd door [gemachtigden]. Overwegingen Inleiding 1. Het plan voorziet, voor zover van belang, in een beperkt aantal aanpassingen van het voorheen geldende bestemmingsplan. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte geen betrekking heeft op de gronden voor de Vinkenbuurt 12 en de Parallelweg 18 te Egmond aan Zee, nu het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse niet voorziet in enkele bestaande althans vergunde functies. [appellant sub 1] richt zich in beroep tegen het voorziene gebruik voor detailhandel op het adres [locatie 1] te Egmond aan Zee van [bewoner]. [appellant sub 1] vreest voor zijn woon- en leefklimaat. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in verblijfsrecreatie voor het appartementencomplex Seeduyne met de adressen Boulevard 24 t/m 68 te Egmond aan Zee. 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] 3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is omdat hij geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren heeft gebracht. 3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 2] heeft niet binnen de gestelde termijn een zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft Gelet op de ter plaatse aanwezige functies is de raad terecht uitgegaan van de richtafstanden die gelden voor een gemengd gebied. Derhalve wordt aan de richtafstand uit de VNG-brochure voldaan. Het betoog faalt. 6. [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene detailhandel aan de [locatie 1] in strijd is met het parkeerbeleid. 6.1. In de "Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009" is het uitgangspunt neergelegd dat parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Ten einde kleine ontwikkelingen niet te blokkeren is het mogelijk om deze vrij te stellen van de parkeereis. Het parkeerbeleid biedt de mogelijkheid om dit te doen voor herbouw- of uitbreidingsplannen met een toename tot 100 m2 bruto vloeroppervlak. Uiteraard geldt wel dat de verkeerssituatie rondom het plan deze vrijstelling rechtvaardigt. Bijvoorbeeld dat er geen kans is op een verkeersonveilige situatie of doorstromingsprobleem als gevolg van een lichte toename van de parkeervraag, aldus het parkeerbeleid. 6.2. Vaststaat dat parkeren op eigen terrein in het voorliggende geval niet mogelijk is. De ontwikkeling kan gelet op het parkeerbeleid evenwel worden vrijgesteld van de eis dat parkeren op eigen terrein dient te worden opgelost nu, zoals hiervoor is overwogen, de voor detailhandel beschikbare oppervlakte 90 m2 bedraagt. In dit verband heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan voorziet in een functiewijziging met een beperkte verkeersaantrekkende werking. Niet is gebleken dat het plan een zodanige parkeerbehoefte met zich brengt dat de raad uit een oogpunt van de verkeerssituatie niet in redelijkheid de tot 2012 bestaande mogelijkheid voor detailhandel heeft kunnen laten terugkeren. Het betoog faalt. 7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] 8. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] wonen aan [locatie 3] in het appartementencomplex Seeduyne te Bergen aan Zee. Zij betogen dat het plan ten onrechte voorziet in de functie verblijfsrecreatie ter plaatse van het appartementencomplex, nu hiermee ook kortdurende verhuur aan toeristen wordt mogelijk gemaakt. Hierbij voeren zij aan dat, anders dan de raad veronderstelt, nimmer de functie verblijfsrecreatie was toegestaan. Vanaf 1994 gold de bestemming "Wonen 1 en 2", aldus [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B]. 8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bewoners erop mochten vertrouwen dat de functie verblijfsrecreatie, die in een eerdere plan is omschreven als badplaatsvoorziening, terugkeert. De functie was in het voorheen geldende bestemmingsplan per abuis wegbestemd. De raad heeft beoogd om dat te herstellen. 8.2. Het plan voorziet ter plaatse van het appartementencomplex in de bestemming "Gemengd - 4". Artikel 4, lid 4.1, van de planregels luidt als volgt: "De voor 'Gemengd - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het wonen, al dan niet met aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. verblijfsrecreatie in de vorm van een hotel, pension, bed & breakfast, recreatiewoning of verblijfsrecreatieve appartementen; c. tweede woningen; d. er plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning': tevens een recreatiewoning; (…)." Artikel 1, lid 1.49, luidt als volgt: "recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt." Lid 1.55, luidt als volgt: "verblijfsrecreatieve appartementen: gestapelde recreatiewoningen." 8.3. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Egmond aan Zee Centrum en Boulevard " uit 2012 voorzag ter plaatse van het appartementencomplex in de bestemming "Wonen - 1" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning". Artikel 18, lid 18.1, van de planregels van dat pl Daarnaast heeft het gebruik voor verblijfsrecreatie feitelijk steeds plaatsgevonden en vindt dit gebruik nog steeds plaats. Voorts ligt het appartementencomplex in een toeristische omgeving aan de Boulevard. In dit geval heeft de raad het plan in overeenstemming met de Ruimtelijke visie op hotels en pensions kunnen achten zonder extra randvoorwaarden voor een positief effect op de ruimtelijke structuur te stellen. Voorts heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen van de eigenaren die de appartementen gebruiken voor verblijfsrecreatie en de belangen die zijn gemoeid met de aanwijzing van de Boulevard als concentratiegebied, dan aan de belangen van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] om gevrijwaard te blijven van de gevolgen van het gebruik van het appartementencomplex voor verblijfsrecreatie. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] voordoet. Het betoog faalt. 10. Voor zover [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] betogen dat het appartementencomplex niet voldoet aan de eisen voor de brandveiligheid, overweegt de Afdeling dat in het Bouwbesluit 2012 brandveiligheidseisen voor bouwwerken zijn opgenomen. Het bestemmingsplan leent zich er niet toe om op detailniveau de maatregelen op te nemen die in het kader van de brandveiligheid dienen te worden getroffen. Het betoog faalt. 11. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] betogen dat het plan leidt tot parkeeroverlast en verkeershinder. 11.1. In de enkele stelling van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] hieromtrent bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verbreding van de functie wonen naar wonen en verblijfsrecreatie significante gevolgen heeft voor parkeeroverlast en verkeershinder. Het betoog faalt. 12. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] betogen dat het plan leidt tot een ongelijke situatie, nu voor de Terrasflat geen verblijfsrecreatie wordt toegestaan. 12.1. Over de door [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] gemaakte vergelijking met de Terrasflat overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het eerdere bestemmingsplan ter plaatse niet in verblijfsrecreatie voorzag. In hetgeen [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt. 13. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] betogen dat de raad ter plaatse van het appartementencomplex niet in de functie verblijfsrecreatie heeft kunnen voorzien, nu de VvE hier tegen heeft gestemd. Voorts is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering nu de splitsingsacte van de VvE geen verblijfsrecreatie toestaat. 13.1. De Afdeling stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:480) voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding is indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. 13.2. Voor zover [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] erop hebben gewezen dat de splitsingsacte van de VvE geen verblijfsrecreatie toestaat, overweegt de Afdeling dat een gebruik dat afwijkt van de in de akte gegeven bestemming is geoorloofd met toestemming van de meerderheid van de leden van de V