Rechtspraak Raad van State 2017-11-15
ECLI:NL:RVS:2017:3119
201607023/1/A3. Datum uitspraak: 15 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], handelend onder de naam Koffiehuis To Day, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2016 in zaak nr. 14/2860 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 27 januari 2014 heeft de burgemeester vergunning aan [appellant] verleend voor de exploitatie van coffeeshop Koffiehuis To Day aan de Dusartstraat 14 te Amsterdam. Bij besluit van 4 april 2014 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Ridder, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R. Osterwald en mr. R. Nomden, bijgestaan door mr. Y.M. van Groenigen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] was sinds 1991 exploitant van de coffeeshop, die op maandag tot en met vrijdag geopend mocht zijn van 07:00 tot 01:00 uur. Bij besluit van 23 december 2013 heeft de burgemeester hem een gedoogverklaring voor de coffeeshop verleend die geldig was tot 1 oktober 2015. Bij het besluit van 27 januari 2014 heeft de burgemeester voor de coffeeshop ambtshalve een exploitatievergunning verleend die geldig was tot 1 oktober 2015. Volgens de exploitatievergunning mag de coffeeshop op maandag tot en met vrijdag geopend zijn van 18:00 uur tot 01:00 uur. Aan de beperking van de openingstijden heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat coffeeshops binnen een loopafstand van 250 m van een school voor voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs niet langer worden gedoogd. Vooruitlopend op een sluiting worden de openingstijden beperkt. Volgens de burgemeester ligt de coffeeshop binnen een loopafstand van 250 m van de school aan de Rustenburgerstraat 436. [appellant] kan zich niet verenigen met de beperking van de openingstijden. Afstandscriterium 2. In een beleidsbrief van 11 december 2012 heeft de burgemeester de gemeenteraad geïnformeerd over de wijze waarop invulling zal worden gegeven aan het lokale coffeeshopbeleid. In die brief is vermeld dat het rijk en de gemeente als gezamenlijke doelstelling hebben om criminele inmenging in de softdrugsbranche tegen te gaan en te voorkomen dat jongeren softdrugs gebruiken. Om deze doelen te bereiken wordt gestreefd naar een kleinschalige, transparante en beheersbare softdrugsbranche. Uit onderzoek is gebleken dat gebruik door jongeren van drugs schadelijker is voor de gezondheid dan werd aangenomen. Het is van belang dat kwetsbare jongeren tegen de gevolgen van het gebruik van softdrugs worden beschermd, met name gezien het probleemgedrag en de sociale problemen die met dat gebruik samenhangen. In aanvulling op het bestaande lokale beleid worden in de beleidsbrief aanvullende maatregelen voorgesteld. Een van de maatregelen is het invoeren van een afstandscriterium voor coffeeshops. Omdat het van belang is om de zichtbaarheid van coffeeshops voor scholieren te verkleinen, worden vanaf 1 januari 2014 coffeeshops binnen een loopafstand van 250 m van een school voor voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs niet langer gedoogd. In een beleidsbrief van 11 november 2013 heeft de burgemeester de raad nader geïnformeerd over de invoering van het afstandscriterium. In die brief is vermeld dat indien uitvoering wordt gegeven aan het afstandscriterium 31 coffeeshops niet langer zullen worden gedoogd. Sluiting van deze coffeeshops kan tot een ongewenste druk op coffeeshops leiden die buiten de loopafstand van 250 m liggen en de gevolgen van sluiting dienen daarom te worden gemonitord. Daarnaast is h Volgens [appellant] volgt voorts uit het rapport Monitor afstandscriterium coffeeshops Amsterdam van het onderzoeksbureau Intraval Onderzoek en Advies van september 2015 (hierna: Monitor) dat toepassing van het afstandscriterium geen invloed heeft gehad op het softdrugsgebruik onder scholieren. In de Monitor zijn de resultaten neergelegd van een onderzoek naar de gevolgen van de beperking van de openingstijden en sluitingen in de tweede fase. Daarnaast is de rechtbank [appellant] ten onrechte niet gevolgd in zijn betoog dat een overgangstermijn van 11 november 2013 tot 1 januari 2014 te kort is. Hoewel de burgemeester in navolging van het standpunt van het kabinet bij brief van 17 november 2008 het voornemen kenbaar heeft gemaakt om een afstandscriterium in te voeren, heeft de burgemeester zich nadien ingespannen om maatwerk voor het lokale coffeeshop beleid te behouden. Eerst bij de brief van 11 november 2013 is hij geïnformeerd over de gefaseerde uitvoering van het afstandscriterium. Voorts heeft de rechtbank miskend dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de burgemeester van het beleid, voor zover het betreft de toepassing van het afstandscriterium, had moeten afwijken. De rechtbank heeft aan de omstandigheid dat op de school ook na 18:00 uur onderwijs wordt gegeven ten onrechte te weinig betekenis toegekend. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester hem terecht geen nadeelcompensatie heeft geboden. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat de bestaande regulering van softdrugs maatschappelijk breed wordt gedragen, aldus [appellant]. 4.1. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat het softdrugsgebruik onder jongeren dient te worden ontmoedigd vanwege de kwalijke gevolgen van dat gebruik. Daartoe wordt een pakket aan maatregelen uitgevoerd. De beperking van de openingstijden maakt deel uit van dit pakket. Daarnaast raakt het coffeeshopbeleid hoe dan ook het belang van de openbare orde, zodat de burgemeester op grond van artikel 3:15, eerste lid, van de Apv bevoegd was tot beperking van de openingstijden. Voorts kan volgens de burgemeester pas na een aantal jaren en na een daartoe te verrichten onderzoek blijken of de invoering van het afstandscriterium tot relevante gevolgen heeft geleid voor het drugsgebruik onder jongeren. Het onderzoek dat aan de Monitor ten grondslag is gelegd, is gebrekkig, nu dat te kort na de invoering van het afstandscriterium is verricht en scholieren bij dat onderzoek bovendien niet zijn geïnterviewd. Verder hebben coffeeshophouders voldoende tijd gekregen om zich voor te bereiden op een sluiting, aldus de burgemeester. 4.2. Artikel 3.15, eerste lid, van de Apv luidt: "De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat de openingstijden van het horecabedrijf beperken." De beperking van de openingstijden van de coffeeshop strekt tot bescherming van scholieren tegen de gevolgen van softdrugsgebruik. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het daarbij om de bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van een coffeeshop gaat. De rechtbank heeft daarom ook terecht geoordeeld dat artikel 3.15, eerste lid, van de Apv een grondslag biedt voor het beperken van de openingstijden. 4.3. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperking van de openingstijden kan bijdragen aan de ontmoediging van softdrugsgebruik onder scholieren. Daarbij heeft hij in aanmerking mogen nemen dat deze maatregel een drempel opwerpt voor scholieren om tijdens en direct na de schooluren softdrugs te kopen of te laten kopen. Ook heeft hij in aanmerking mogen nemen dat daarmee wordt voorkomen dat scholieren worden geconfronteerd met de activiteiten van een coffeeshop, zodat zij die niet als normaal gaan zien. [appellant] heeft, onder verwijzing naar de resultaten van de Monitor, niet aannemelijk gemaakt dat de maatregel niet kan bijdrage