Rechtspraak Raad van State 2017-11-15
ECLI:NL:RVS:2017:3088
201607277/1/A3. Datum uitspraak: 15 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Krommenie, gemeente Zaanstad, handelend onder de naam [bedrijf], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 12 augustus 2016 in zaak nr. 15/1962 in het geding tussen: [appellant] en de burgemeester van Zaanstad. Procesverloop Bij brief van 17 december 2014 heeft de burgemeester [appellant] medegedeeld dat de aan hem verleende vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf met een geldigheidsduur van één jaar, niet zal worden omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 18 maart 2015 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 maart 2015 vernietigd en het tegen de brief van 17 december 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J. Boekel, advocaat te Medemblik, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F. Brouwer, zijn verschenen. Overwegingen 1. Bij besluit van 19 december 2013 heeft de burgemeester [appellant] vergunning verleend voor de exploitatie van horecabedrijf [bedrijf], ook bekend als [bar], voor de duur van één jaar. In dat besluit staat vermeld dat de exploitatievergunning zal worden omgezet in een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd indien zich in de periode na het verlenen van de vergunning geen incidenten voordoen in en/of rondom de inrichting dan wel anderszins geen sprake is van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van een aanvraag om een horeca-exploitatievergunning kunnen worden betrokken. Bij brief van 17 december 2014 heeft de burgemeester [appellant] medegedeeld dat de exploitatievergunning niet zal worden omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Hieraan ligt ten grondslag dat zich na de vergunningverlening verschillende incidenten hebben voorgedaan in het horecabedrijf en op de openbare weg voor het horecabedrijf. Voorts hebben omwonenden klachten ingediend over geluidsoverlast van muziek en van bezoekers die voor de inrichting stonden maar (nog) niet naar binnen konden. Intimidatie door en het gedrag van bezoekers hebben ertoe geleid dat de woningen van deze omwonenden op kosten van de gemeente vier weken lang beveiligd zijn. Voorts merkt de burgemeester op dat het gedrag en de houding van [appellant] jegens de toezichthouders te wensen overlaat. De burgemeester heeft het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat bij het al dan niet verlengen van de exploitatievergunning, opnieuw moet worden beoordeeld of de vergunning verleend kan worden. Daarbij beoordeelt de burgemeester onder andere of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij die beoordeling is ook de nadere voorwaarde in de vergunning van belang dat van verlenging sprake had kunnen zijn indien er zich binnen dat jaar geen incidenten hebben voorgedaan. Daarom mocht hij de hiervoor bedoelde incidenten ten grondslag leggen aan het niet omzetten van de exploitatievergunning in een vergunning voor onbepaalde tijd, aldus de burgemeester. 2. De rechtbank heeft zich ambtshalve de vraag gesteld of de brief van 17 december 2014 kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Volgens de rechtbank is door de mededeling dat de voor één jaar verleende exploitatievergunning niet zal worden omgezet in een vergunning