Rechtspraak Raad van State 2017-11-08
ECLI:NL:RVS:2017:3024
201700954/1/A3. Datum uitspraak: 8 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], mede voor het minderjarige kind [kind], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016 in zaak nr. 16/4010 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Buitenlandse Zaken. Procesverloop Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft de minister de paspoortaanvragen van [appellante] en haar dochter [kind] buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 4 april 2016 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 september 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [vader] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door I.S. IJserinkhuijsen, zijn verschenen. Overwegingen Wet- en regelgeving 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellante] is geboren op 14 januari 1983 en bezit de Pakistaanse nationaliteit. Uit de in de bezwaarfase overgelegde geboorteakte blijkt dat zij een dochter is van [vader], geboren op 15 november 1953 in Pakistan en van [persoon A] (ook bekend als [moeder] geboren op 1 januari 1959 in Pakistan. Aan de vader is bij Koninklijk Besluit nr. 40 per 28 augustus 1985 het Nederlanderschap verleend. Uit de staat van inlichtingen behorende bij het naturalisatieverzoek van de vader blijkt dat hij zijn huwelijk met de moeder, gesloten op 12 januari 1979, heeft verzwegen. Dit huwelijk is nooit in Nederland geregistreerd. Bij besluit van 1 november 1999 is het bezwaar van de vader tegen de weigering om de huwelijksakte van het huwelijk tussen hem en de moeder te legaliseren gegrond verklaard en is overwogen dat noch het in 1978 gesloten huwelijk met [persoon B], welk huwelijk op 3 juni 1983 door echtscheiding is ontbonden, noch het in 1985 gesloten huwelijk met [persoon C], welk huwelijk op 16 augustus 1991 door echtscheiding is ontbonden, de erkenning van het huwelijk met de moeder in de weg staat. Op 2 juni 2014 is de dochter van [appellante], [kind], geboren in het Verenigd Koninkrijk. Uit de geboorteakte blijkt dat zij de dochter is van [persoon D], geboren op 16 januari 1982 in Pakistan. Besluitvorming 3. De minister heeft de aanvraag van [appellante] buiten behandeling gesteld. Hij heeft zich daartoe op het standpunt gesteld dat [appellante] niet in aanmerking komt voor een paspoort omdat erkenning dient te worden onthouden aan het in het buitenland gesloten polygame huwelijk van de vader en moeder van [appellante] in de periode van 12 januari 1979 tot 3 juni 1983. Derhalve heeft het huwelijk naar Nederlands recht in deze periode geen rechtsgevolgen en biedt het geen grond voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen eiseres en haar vader. Aangevallen uitspraak 4. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het betoog van [appellante] dat het huwelijk van haar vader ten tijde van zijn naturalisatie niet meer polygaam was en zij dus heeft gedeeld in de naturalisatie, niet slaagt. De rechtbank leidt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1499) af dat het bij de beantwoording van de vraag of [appellante] uit het huwelijk van haar vader en moeder is geboren van belang is of het huwelijk op het moment van haar geboorte polygaam was (en dus in strijd met de openbare orde). [appellante] heeft niet bestreden dat het huwelijk van haar vader op het moment van haar geboorte polygaam was. Daarom kan zij hieraan geen familierechtelijke betrekkingen ontl Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de minister te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. 7. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 december 2016 in zaak nr. 16/4010; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 4 april 2016, kenmerk: 0803/2014-NP en 0804/2014-NP; V. bepaalt dat tegen het door de minister van Buitenlandse Zaken te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VI. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier. w.g. Borman w.g. Veenboer voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2017 730. BIJLAGE Paspoortwet Artikel 9 1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen. 2. In afwijking van het eerste lid heeft een Nederlander die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, recht op een nationaal paspoort geldig voor vijf jaren en voor alle landen. Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 Artikel 9 1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens. […]. 4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken. Artikel 52 1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen. […]. Rijkswet op het Nederlanderschap Artikel 1 1. In deze Rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […]; d. vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat; […]. Artikel 3 1. Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden. […]. Artikel 4 1. In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon wiens vaderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de vader op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van dr