Rechtspraak Raad van State 2017-11-01
ECLI:NL:RVS:2017:2962
201607002/1/A1. Datum uitspraak: 1 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [stichting], gevestigd te Readtsjerk, gemeente Dantumadiel, appellante, en het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2015 heeft het college aan de stichting een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Bij besluit van 20 april 2016 heeft het college het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep en heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden aan de Afdeling. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De stichting heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2017, waar het college, vertegenwoordigd door J.C. de Goede, is verschenen. Overwegingen 1. Op 5 november 2012 heeft een toezichthouder van de gemeente Tytsjerksteradiel een controle uitgevoerd op twee percelen, grenzend aan de Boskwei te Readtsjerk, kadastraal bekend gemeente Giekerk, sectie F, nrs. 1048 en 1053. Deze percelen zijn in eigendom van de stichting. Naar aanleiding van de door de toezichthouder ter plaatse aangetroffen situatie is in opdracht van het college door WMR Rinsumageest B.V. een indicatief bodemonderzoek uitgevoerd op perceel nr. 1048 (hierna: het perceel), waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 25 maart 2013. Bij dit onderzoek is in de op het perceel aanwezige ophooglaag een sterk verhoogd loodgehalte gemeten. Volgens het college is aannemelijk dat dit loodgehalte het gevolg is van het ophogen van het perceel met diverse bodemvreemde stoffen, waaronder menggranulaat. Nu bij het ophogen van het perceel niet alle redelijkerwijs te treffen maatregelen zijn genomen om verontreiniging van de bodem te voorkomen en ook is nagelaten maatregelen te treffen om verontreiniging van de bodem op het perceel met lood ongedaan te maken of de gevolgen daarvan te beperken, is volgens het college artikel 13 van de Wet bodembescherming overtreden. De stichting is hiervoor volgens het college als eigenaar van het perceel verantwoordelijk en kan daarom als overtreder van artikel 13 worden aangemerkt. De bij het besluit van 24 april 2015 opgelegde last onder bestuursdwang houdt in dat een nader bodemonderzoek moet plaatsvinden door een gecertificeerd adviesbureau, waarbij de verontreiniging ter plaatse van de aangetroffen sterk verhoogde gehalten aan lood horizontaal en verticaal in beeld wordt gebracht. Bij het besluit van 24 april 2015 is bepaald dat de kosten van bestuursdwang volledig op de stichting worden verhaald. 2. De stichting voert aan dat het college er niet op grond van het rapport van WMR Rinsumageest B.V. van 25 maart 2013 van mocht uitgaan dat op het perceel verhoogde gehalten lood in de bodem aanwezig zijn. Volgens haar is het aan dat rapport ten grondslag liggende bodemonderzoek onder valse voorwendselen uitgevoerd en geeft het een vertekend beeld doordat enkel een mengmonster is gebruikt. Als al een verhoogd gehalte lood in de bodem aanwezig is, kan dit volgens de stichting ook veroorzaakt zijn door bemesting in plaats van het ophogen van het perceel. De stichting stelt zich in dit verband op het standpunt dat bij het ophogen van het perceel zorg is besteed aan de keuze van de toegepaste stoffen en de leveranciers daarvan, die volgens de stichting allemaal gecertificeerd en gerenommeerd zijn. Voor zover het ophogen wel de oorzaak zou zijn van een verontreiniging van de bodem met lood, is de stichting van mening dat zij daar niet verantwoordelijk voor kan worden gehouden, aangezien zij niet de opdracht tot het ophogen heeft gegeven. Alleen de opdrachtgever of de leveranciers van de stoffen zouden v