Rechtspraak Raad van State 2017-11-01
ECLI:NL:RVS:2017:2960
201700592/1/V6. Datum uitspraak: 1 november 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid; hierna: de staatssecretaris), 2. [appellante sub 2A], mede voor haar minderjarige kind [kind A], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/1053 in het geding tussen: [appellante sub 2A], mede voor [kind A], en de minister van Veiligheid en Justitie (hierna de minister). Procesverloop Bij koninklijk besluit van 22 juni 2015 is aan [appellante sub 2A] en haar kinderen [kind B], [kind C] en [kind D], het Nederlanderschap verleend. Bij besluit van 26 juli 2016 heeft de minister het door [appellante sub 2A] gemaakte bezwaar, gericht tegen de kennelijke weigering om [kind A] het Nederlanderschap mede te verlenen, opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 8 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante sub 2A] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de datum van die uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hoger beroep ingesteld. [appellante sub 2A] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft een zienswijze ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2017, waar de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door mr. R.A.B. van Steijn, en [appellante sub 2A], vertegenwoordigd door mr. C.F. Wassenaar, advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers. Inleiding 3. [appellante sub 2A] heeft op 14 oktober 2014 een verzoek ingediend om haar het Nederlanderschap te verlenen. Daarbij heeft zij uitdrukkelijk verzocht om medeverlening van het Nederlanderschap aan haar drie minderjarige kinderen [kind B], [kind C] en [kind D]. Bij besluit van 28 oktober 2014 is aan [kind A] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Bij brief van 27 maart 2015 heeft [appellante sub 2A] verzocht om medeverlening van het Nederlanderschap aan [kind A]. De staatssecretaris heeft het door [appellante sub 2A] gemaakte bezwaar van 18 september 2015 tegen het besluit van 22 juni 2015 niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen besluit ligt inhoudende weigering van het Nederlanderschap aan [kind A]. Daartoe is immers nimmer een rechtsgeldig verzoek ingediend, aldus de staatssecretaris. Volgens de staatssecretaris dient een verzoek om medeverlening bij het verzoek tot verlening te worden ingediend en dat is in dit geval niet gebeurd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 26 juli 2016 in rechte geen stand kan houden. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij de staatssecretaris niet volgt in zijn stelling dat uit de tekst van artikel 11, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en de toelichting daarop volgt dat het verzoek niet mag worden aangevuld met een verzoek tot medeverlening, omdat het verzoek tot medeverlening bij het verzoek tot verlening moet worden ingediend. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat volgens haar uit de toelichting bij artikel 11, eerste lid, van de RWN, die is opgenomen in de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding), blijkt dat het artikel per 1 april 2003 is gewijzigd om een einde te maken aan onduidelijkheid over welke kinderen in de naturalisatie van de ouder hadden gedeeld. In dit geval heeft [appellante sub 2A] uitdrukkelijk verzocht om medeverlening voor [kind A], zodat niet ondu Reeds hierom was voor inwilliging van het voor [kind A] ingediende verzoek geen plaats. [appellante sub 2A] heeft zich voorts uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij niet heeft beoogd voor [kind A] een zelfstandig verzoek tot naturalisatie, als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de RWN, in te dienen. Dit betekent dat de beslissing op het voor [kind A] ingediende verzoek geen andere kan zijn, dan dat het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt en dat het door [appellante sub 2A] gemaakte bezwaar ongegrond is. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2A] 5. Het betoog in incidenteel hoger beroep, inhoudend dat de rechtbank heeft miskend dat het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de RWN in strijd is met het Verdrag tot beperking der staatloosheid van 30 augustus 1961 (hierna: het verdrag van New York), faalt. Daartoe is het volgende redengevend. 5.1. [appellante sub 2A] heeft gewezen op artikel 2 (lees: artikel 1) van het verdrag van New York, waarin is neergelegd dat in het geval de minderjarige staatloos is, deze is geboren op het grondgebied van de lidstaat en aldaar gewoonlijk verblijf heeft, aan hem de nationaliteit van de lidstaat moet worden verleend op aanvraag. Dat betekent volgens [appellante sub 2A] dat voor de naturalisatie van een staatloos kind niet de eis van een verblijfsvergunning mag worden gesteld, terwijl het bepaalde in artikel 11 van de RWN vereist dat de minderjarige rechtmatig moet verblijven alvorens in aanmerking te kunnen komen voor medenaturalisatie. Aangezien [kind A] staatloos is, mag, gelet op het verdrag van New York, in dit geval de eis van rechtmatig verblijf niet worden gesteld, aldus [appellante sub 2A]. Daarbij dwingt artikel 11, eerste lid, van de RWN in dit geval tot verlening van het Nederlanderschap, omdat de eis dat de aanvraag om medeverlening tegelijkertijd met de aanvraag om verlening moet worden ingediend, evenzeer in strijd is met de bepalingen van het verdrag van New York, aldus [appellante sub 2A]. 5.2. De Afdeling ziet, anders dan [appellante sub 2A], niet dat de eis om het verzoek om verlening van het Nederlanderschap en om medeverlening daarvan tegelijk te moeten indienen, in strijd zou zijn met het bepaalde in het verdrag van New York en evenmin dat het stellen van het vereiste van een verblijfsvergunning dat zou zijn. Het verdrag van New York heeft ten doel om staatloosheid te voorkomen. De staatssecretaris wijst er in zijn schriftelijke uiteenzetting terecht op dat staatlozen bij de verwerving van het Nederlanderschap een gunstiger positie hebben dan andere vreemdelingen. De RWN biedt voor staatloze minderjarigen, die hier te lande zijn geboren, een procedure om een einde aan die staatloosheid te maken. Deze is uitgewerkt in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RWN en houdt in dat minderjarige staatloze optanten een optierecht kunnen uitoefenen na drie jaar toelating en hoofdverblijf, mits zij in het Koninkrijk zijn geboren. Het recht om een nationaliteit te verwerven is daarmee voor staatloze, hier te lande geboren kinderen, voldoende gewaarborgd. Uit het verdrag van New York volgt niet dat reeds bij de geboorte of bij een eerste gelegenheid een verzoek van een minderjarige om te worden genaturaliseerd, dient te worden gehonoreerd. Uit het verdrag van New York volgt evenmin dat het vereiste dat het verzoek om medeverlening tegelijkertijd met het verzoek om verlening moet worden ingediend, daarmee in strijd is. [appellante sub 2A] heeft niet geconcretiseerd waarom dat zo zou zijn. Conclusie 6. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2A] is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuwe beslissing op het door [appellante sub 2A] gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, Ongeacht de bepalingen van het eerste lid sub b en van het tweede lid van dit artikel, verkrijgt het wettige kind dat is geboren op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat en welks moeder de nationaliteit van die Staat bezit, die nationaliteit bij de geboorte, indien het anders staatloos zou zijn. 4. Iedere Verdragsluitende Staat verleent zijn nationaliteit aan degene, die anders staatloos zou zijn en van wie, ten tijde van de geboorte, de vader of de moeder de nationaliteit van genoemde Staat bezat, indien hij, doordat hij boven de leeftijd is gekomen welke is vastgesteld voor de indiening van zijn verzoek, of doordat hij niet voldoet aan de gestelde voorwaarden met betrekking tot het verblijf, de nationaliteit van de Verdragsluitende Staat op welks grondgebied hij is geboren niet heeft kunnen verkrijgen. Indien de ouders niet dezelfde nationaliteit bezaten ten tijde van de geboorte, volgt naar gelang van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Staat het kind de nationaliteit van de vader dan wel die van de moeder. Indien de nationaliteit moet worden aangevraagd, dient dit verzoek door of namens de belanghebbende bij de bevoegde autoriteit te worden ingediend op de wijze als is voorgeschreven door de wetgeving van de betrokken Staat. Behoudens de bepalingen van het vijfde lid van dit artikel, mag dit verzoek niet worden afgewezen. 5. De Verdragsluitende Staat kan het verlenen van zijn nationaliteit overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, binden aan een of meer van de volgende voorwaarden: a) dat het verzoek wordt ingediend voordat de belanghebbende een door de betrokken Verdragsluitende Staat vastgestelde leeftijd heeft bereikt, welke leeftijd echter niet beneden de 23 jaar mag liggen; b) dat de belanghebbende gedurende een zeker tijdvak onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek zijn gewone verblijf heeft gehad op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Staat; de duur van dit tijdvak wordt door die Staat vastgesteld, doch mag drie jaar niet te boven gaan; c) dat de belanghebbende bij zijn geboorte of later geen nationaliteit heeft verkregen. Artikel 2 Het kind, gevonden op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat wordt, totdat het tegendeel is bewezen, geacht te zijn geboren op dat grondgebied uit ouders die de nationaliteit van die Staat bezitten. Rijkswet op het Nederlanderschap Artikel 6 1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: a. […]; b. de vreemdeling die in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is geboren, aldaar gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren toelating en hoofdverblijf heeft en sedert zijn geboorte staatloos is; c. […]. 2. […]. 3. De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap. 4. […]. Artikel 11 1. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, deelt in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend. 2. Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. 3. […]. 4. Aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet deelde, wordt op zi Dit betekent dat een kind voor wie de ouder niet uitdrukkelijk om medeverlening heeft verzocht, niet zal worden vermeld op het koninklijk besluit en derhalve niet heeft gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap. 11-2 Toelichting ad artikel 11, tweede lid Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind beneden de leeftijd van 16 jaar wordt ingewilligd indien het kind sedert het tijdstip van het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Deze bepaling regelt onder welke voorwaarden een verzoek om medeverlening voor een kind jonger dan zestien jaar wordt ingewilligd. Een kind jonger dan twaalf jaar wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar kan, indien het kind daar om vraagt, een zienswijze hieromtrent naar voren brengen (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN). Het verzoek om medeverlening voor een kind jonger dan zestien jaar wordt ingewilligd, indien het "sedert het tijdstip van het verzoek (...) toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft". Gelet op deze bewoordingen moet worden aangetoond dat het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat een verzoek om medeverlening reeds wordt ingediend op een moment dat het kind nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat het kind een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal de ouder worden geadviseerd om te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat de ouder niettemin op indiening van het verzoek om medeverlening, dan dient de burgemeester het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval kan het verzoek om medeverlening met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:5 Awb buiten behandeling worden gesteld dan wel (indien de in artikel 4:5 Awb gestelde termijnen niet zijn gehaald) worden afgewezen. In dat laatste geval zal een inhoudelijke beslissing moeten worden genomen op het verzoek om medeverlening voor het kind. Als bij het nemen van die beslissing blijkt (aan de hand van een overgelegd verblijfsdocument) dat aan het kind met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard is verleend en de ingangsdatum van die vergunning is gelegen op of vóór de datum van indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt - achteraf bezien - alsnog aan de betreffende voorwaarde voldaan. Voorts moet het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek hoofdverblijf in Nederland hebben (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). Uit de tekst van de onderhavige bepaling (en ook artikel 11, derde lid, RWN) vloeit voort dat bij kinderen die ten tijde van het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar zijn, maar tijdens de procedure zestien jaar worden, nog steeds alleen de vereisten van het tweede lid gelden. Voor deze kinderen gelden niet de zwaardere vereisten van het derde lid (drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN)76. Voor deze kinderen geldt evenmin dat zij in persoon moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Indien het kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft In die situatie zal het pasgeboren kind niet hebben kunnen delen in de verkrijging van of verlening van het Nederlanderschap aan de ouder, omdat het ten tijde van het afleggen van die verklaring of het indienen van het verzoek nog niet was geboren en derhalve niet was vermeld in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder (vergelijk artikel 6, tweede lid, BVVN en artikel 31, tweede lid, BVVN). Ten behoeve van en namens een dergelijk kind kan op grond van onderhavig artikellid tijdens de procedure van de ouder een zelfstandig naturalisatieverzoek worden ingediend. In artikel 11, vierde lid, RWN is geregeld dat kinderen die tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van hun ouder(s) worden geboren op een vereenvoudigde manier zelf het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Uit het artikellid volgt wel dat het kind dat geboren wordt tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder, pas voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking komt, nadat de ouder Nederlander is geworden. Hieruit volgt echter niet dat een naturalisatieverzoek ten behoeven van het kind pas zou mogen worden ingediend nadat de ouder Nederlander is geworden. Om de procedure van het kind te bespoedigen mag een verzoek ten behoeve van dat kind dan ook reeds tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder worden ingediend. Dit verzoek wordt op de gebruikelijk wijze behandeld, hetgeen betekent dat het verzoek aan de hierna te noemen voorwaarden moet voldoen. Ter verduidelijking: in deze situatie heeft het kind niet bij geboorte het Nederlanderschap verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat de ouder op het moment van de geboorte nog niet de Nederlandse nationaliteit bezat. Voor het kind als bedoeld in onderhavig artikellid geldt (ongeacht zijn leeftijd of het tijdstip van geboorte) dat het "sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf" in het Koninkrijk moet hebben. Aangetoond moet worden dat het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat het verzoek om naturalisatie reeds wordt ingediend op een moment dat het kind nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat het kind een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal de wettelijk vertegenwoordiger die het verzoek namens het kind indient, worden geadviseerd te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat de wettelijk vertegenwoordiger niettemin op indiening van het verzoek, dan dient de burgemeester het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt duidelijk aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval kan het verzoek om naturalisatie met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:5 Awb buiten behandeling worden gesteld dan wel - indien de in artikel 4:5 Awb gestelde termijnen niet zijn gehaald - worden afgewezen. In dat laatste geval zal een inhoudelijke beslissing moeten worden genomen op het verzoek. Als aan de hand van een overgelegd verblijfsdocument bij het nemen van die beslissing blijkt dat aan het kind met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard is verleend en de ingangsdatum van die vergunning is gelegen vóór de datum van indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt - achteraf bezien - alsnog aan de betreffende voorwaarde voldaan. Voorts moet het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek hoofdverblijf in Nederland hebben (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). Ingevolge onderhavig artikellid dient het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is uitdrukkelijk