Rechtspraak Raad van State 2017-10-25
ECLI:NL:RVS:2017:2878
201605677/1/A3. Datum uitspraak: 25 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te 's-Hertogenbosch, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2016 in zaak nr. 16/396 in het geding tussen: [appellant] en de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het inleidend verzoek van [appellant] om een raadgevend referendum te houden over een initiatiefvoorstel van de Bossche Volkspartij niet ingewilligd. Bij uitspraak van 30 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Posset, rechtsbijstandverlener te s-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Bijveld en bijgestaan door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft bij brief van 17 november 2015 een inleidend verzoek voor een raadgevend referendum gedaan over het concept-raadsvoorstel "Geen AZC in ‘s-Hertogenbosch" van de Bossche Volkspartij. In dit initiatiefvoorstel wordt voorgesteld geen medewerking meer te verlenen aan de vestiging van een asielzoekerscentrum binnen de gemeente ’s-Hertogenbosch. Aan het initiatiefvoorstel ging vooraf het besluit van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2015 om medewerking te verlenen aan een asielzoekerscentrum (hierna: AZC) op de locatie Coudewater, nadat de raad eerder, op 15 april 2015, had ingestemd met het voorstel van het college een locatie voor een AZC te zoeken. Procesbelang 2. De raad stelt dat [appellant] geen procesbelang meer heeft omdat de plannen voor een AZC in de gemeente ‘s-Hertogenbosch voorlopig van de baan zijn. De raad verwijst naar correspondentie tussen het COA en de gemeente. 2.1. Bij brief van 4 januari 2016 heeft [appellant] desgevraagd meegedeeld dat hij nog steeds procesbelang heeft omdat uit de correspondentie tussen het COA en de gemeente blijkt dat bij een aantrekkende instroom wellicht de vraag om een locatie in ’s-Hertogenbosch wederom actueel wordt. 2.2. Ter zitting heeft de raad desgevraagd bevestigd dat het besluit van de raad van 14 april 2015 waarin besloten is om een locatie te zoeken voor een AZC, noch het besluit van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2015 om de locatie Coudewater aan te wijzen als geschikte plek voor vestiging van een AZC, is ingetrokken. [appellant] beoogt met het referendum een oordeel van de bevolking te krijgen over het concept-raadsvoorstel geen medewerking meer te verlenen aan de vestiging van een AZC in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Het procesbelang van [appellant] bestaat nog steeds nu eerdergenoemde, maar niet ingetrokken besluiten van raad en college mogelijk ten grondslag worden gelegd aan een dergelijke vestiging in de toekomst. Beroepsgronden 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Referendumverordening ’s-Hertogenbosch 2014 ruimte biedt om een inleidend verzoek tot het houden van een referendum dat voldoet aan alle formele vereisten af te wijzen op andere inhoudelijke gronden dan de gronden genoemd in artikel 2. De raad en de rechtbank zien daarvoor volgens hem ten onrechte ruimte in artikel 4, vijfde lid. [appellant] leidt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de verordening af dat geen ruimte bestaat voor een afweging of het verzoek wordt gehonoreerd als de afwijzingsgronden van artikel 2 niet van toepassing zijn en aan de formele vereisten is voldaan. Daartoe verwijst hij naar het raadsvoorstel tot vaststelling van de verordening, de notulen van de commissie bestuurszaken van 22 augustus en 28 november 2013 en de oplegger referendumverordening. Daarnaast verwijst hij naar een