Rechtspraak Raad van State 2017-10-25
ECLI:NL:RVS:2017:2872
201606645/1/A1. Datum uitspraak: 25 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellante B], wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2016 in zaak nr. 15/8525 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk. Procesverloop Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college de bij besluit van 26 mei 2010 vastgestelde maatwerkvoorschriften voor de inrichting van Kiela Metaalwarenfabriek B.V. (hierna: de inrichting) ingetrokken en nieuwe maatwerkvoorschriften vastgesteld. Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college en [appellant] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2017, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. G.G.M. Johannes, en het college, vertegenwoordigd door R.L.J. Verhees en ing. M.J.H. Kijzers, zijn verschenen. Overwegingen 1. De inrichting is gelegen op het perceel Hogebrug 14 te Driebruggen (hierna: het perceel). Bij besluit van 26 mei 2010 heeft het college maatwerkvoorschriften vastgesteld. Ten aanzien van het geluid zijn ter plaatse van de gevel van de woning van [appellant] onder meer de volgende maatwerkvoorschriften opgenomen bij dit besluit: 2. De inrichting is een type B-inrichting als bedoeld in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit), zijnde een inrichting waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en die geen inrichting type A is. 3. Op 26 september 2011 heeft de drijver van de inrichting een melding gedaan op grond van artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 1.10, tweede lid, van het Activiteitenbesluit voor het wijzigen van de inrichting. De inrichting is veranderd van een metaalwerkplaats naar een magazijn van kappersmeubelen met bijbehorende laad- en losactiviteiten. In de nieuwe situatie vinden er hoogstens vijf vrachtwagenbewegingen per week plaats. Er is volgens de melding geen vast personeel meer in de inrichting aanwezig behalve voor het laden en lossen. 4. Bij besluit van 22 mei 2015 heeft het college de bij besluit van 26 mei 2010 vastgestelde maatwerkvoorschriften voor de inrichting gewijzigd en, voor zover van belang, de volgende nieuwe maatwerkvoorschriften vastgesteld: In plaats van het bepaalde in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, ter plaatse van de gevels van de woningen die in tabel 1 zijn genoemd niet meer bedragen dan de in tabel 1 genoemde geluidsniveaus. 5. [ appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er niet alleen vergunning is verleend voor het laden en lossen, maar ook voor het verrichten van niet nader omschreven activiteiten gedurende 10 uur per dag. Volgens [appellant] worden hiermee in de inrichting toekomstige - thans niet voorziene - activiteiten mogelijk gemaakt waarbij gedurende de dagperiode op grond van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit een LAmax van 70 dB(A) mogelijk is, als gevolge van een daartoe strekkend ontbrekend maatwerkvoorschrift in de vergunning. Volgens [appellant] zou hierdoor in de toekomst zijn woon- en leefklimaat kunnen worden aangetast. Volgens [appellant] volgt uit de uitspr