Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2838
201609670/1/R3. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Ondernemersorganisatie Glastuinbouw LTO Noord/Glaskracht, gevestigd te Den Haag, appellante, en de raad van de gemeente Lansingerland, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Oostland-Berkel (caravanstalling [locatie])" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft LTO Glaskracht beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2017, waar LTO Glaskracht, vertegenwoordigd door L.W.M. Claessen, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H. Koornneef, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de gronden aan de [locatie] in Berkel en Rodenrijs en voorziet in een regeling voor het gebruik als caravanstalling van de op dit perceel aanwezige glasopstanden. Op het gehele perceel rust de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". Op het deel van het perceel met de aanduiding "caravanstalling" is het gebruik als caravanstalling toegestaan. LTO Glaskracht kan zich hiermee niet verenigen, kort gezegd, omdat deze gronden in een glastuinbouwgebied liggen en door het gebruik als caravanstalling niet meer voor duurzame glastuinbouw beschikbaar zijn. Volgens LTO Glaskracht had de raad ervoor moeten kiezen om de caravanstalling te verplaatsen naar een locatie buiten het glastuinbouwgebied. 2. Het bestemmingsplan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:420, over het besluit van de raad van 27 juni 2013 waarbij het bestemmingsplan "Oostland-Berkel" is vastgesteld. In dit bestemmingsplan "Oostland-Berkel" was aan het perceel [locatie] de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. Deze bestemming liet het feitelijke gebruik als caravanstalling niet toe. [belanghebbende] heeft om deze reden beroep ingesteld tegen dit vaststellingsbesluit. De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3479, als volgt overwogen: "4.6 […] [belanghebbende] stalt vanaf 1977 caravans op haar perceel [locatie]. In het nadien vastgestelde plan "Landelijk gebied" van de voormalige gemeente Berkel en Rodenrijs bepaalde artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften dat op gronden, gebouwen en andere bouwwerken die bij het van kracht worden van het plan op andere wijze in gebruik zijn dan overeenkomt met de aan de grond gegeven (sub)bestemming, dan wel met deze voorschriften, als zodanig in gebruik mogen blijven. De raad heeft erkend dat het perceel [locatie] ten tijde van de vaststelling van het vorige bestemmingsplan mede werd gebruikt ten behoeve van het stallen van caravans. De raad heeft daarbij niet onder ogen gezien dat het overgangsrecht van toepassing kan zijn op het gebruik van het perceel [locatie] ten behoeve van het stallen van caravans. Het had op de weg van de raad gelegen hierover een oordeel te vormen. Nu de raad dit niet heeft gedaan is het bestreden besluit in zoverre niet met de ingevolge 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid voorbereid." De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 4.6 een oordeel te vormen over de toepasselijkheid van het overgangsrecht op het gebruik van het perceel [locatie] ten behoeve van het stallen van caravans en op deze wijze het bestreden besluit alsnog toereikend te motiveren dan wel een passende regeling te treffen. Aangezien deze termijn ongebruikt is verstreken, heeft de Afdeling bij uitspraak van 18 februari 2015 het bestreden vaststellingsbesluit vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie], en de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van d 5.2. Artikel 1.2 (toepasselijkheid), derde lid (bestaande bebouwing en bestaand gebruik), van de Verordening ruimte 2014 luidt: "Onder bestaande bebouwing, bestaand gebruik of bestaande ruimtelijke ontwikkeling, wordt verstaan hetgeen: a. ingevolge het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening geldende bestemmingsplan rechtmatig aanwezig is; b. waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bij een omgevingsvergunning is afgeweken van het bestemmingsplan of een aanvraag hiertoe is ingediend die kan worden verleend; c. in overeenstemming met deze verordening tot stand is gekomen of waarvoor ontheffing van deze verordening is verleend of waarover het gemeentebestuur een besluit heeft genomen als direct gevolg van een onherroepelijke uitspraak van een bestuursrechter." Artikel 2.1.5 (glastuinbouwgebied), eerste lid (glastuinbouwgebied voor teelt onder glas), luidt: "Een bestemmingsplan voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op ‘Kaart 3 Teeltgebieden’, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen." Blijkens Kaart 3 (Teeltgebieden) van de Verordening ruimte 2014 ligt het perceel binnen het glastuinbouwgebied. Artikel 2.1.5, vierde lid (Aanpassing begrenzing glastuinbouwgebied), luidt: "In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het glastuinbouwgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden en de rechtmatige aanwezigheid van bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied." Artikel 3.3 (afwijkingsmogelijkheden), tweede lid (afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk), luidt: "Een bestemmingsplan kan voorzien in een bestemming waarbij in beperkte mate wordt afgeweken van de maten en normen die zijn voorgeschreven bij deze verordening en kan beperkte uitbreiding mogelijk maken van bestaande bebouwing en bestaand gebruik van gronden die niet in overeenstemming zijn met deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende bepaling." 5.3. Bij de beoordeling van de beroepsgrond maakt de Afdeling een onderscheid tussen het gebruik als caravanstalling waarop het overgangsrecht van het vorige plan van toepassing was en het gebruik als caravanstalling waarop het overgangsrecht van het vorige plan niet van toepassing was. Vast is komen te staan dat het gebruik van een deel van het perceel als caravanstalling toegelaten was op grond van het overgangsrecht van het vorige plan. Dit gebruik betreft naar het oordeel van de Afdeling bestaand gebruik in de zin van artikel 1.2, derde lid, onder a, van de Verordening ruimte 2014. Wat betreft dit gebruik is dan ook sprake van rechtmatige aanwezigheid van een bestaande functie als bedoeld in artikel 2.1.5, vierde lid, van de Verordening ruimte 2014. De Afdeling deelt het door de raad ter zitting ingenomen standpunt dat dit artikellid in dit geval aan de raad de mogelijkheid biedt om het bestaande gebruik als caravanstalling als zodanig te bestemmen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend aangetoond dat door dit gebruik geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. Daartoe heeft de raad van belang kunnen achten dat de gronden tevens zijn bestemd voor duurzame glastuinbouw, dat het perceel aan de rand van het glastuinbouwgebied ligt en dat dit deel van het perceel in ieder geval sinds 11 juli 1986 niet meer voor glastuinbouw wordt gebruikt. Wat betreft het gebruik als caravanstalling waarop het overgangsrecht van het vorige plan niet van toepassing is, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid toepassing kunnen geven aan de mogelijkheid die artikel 3.3, twee