Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2835
201700079/1/R6. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. Stichting Milieuzorg Zeist en omstreken, gevestigd te Zeist, gemeente Zeist, 2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Driebergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, en de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 10 maart 2016 heeft de raad besloten tot gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van de besluiten voor de ontwikkelingen met betrekking tot het Landgoed De Reehorst. Bij besluit van 24 november 2016 heeft de raad besloten tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landgoed De Reehorst". Bij besluit van 28 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de bouw van een kantoorgebouw, de aanleg van een parkeervoorziening met zonnecollectoren en het vellen van 14 houtopstanden. Tegen de besluiten tot vaststelling van het plan en tot verlening van de omgevingsvergunning hebben de Stichting en [appellanten sub 2] beroep ingesteld. De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend. De Stichting en de raad en het college hebben nadere stukken ingediend. Join Projecten 2 B.V. en Triodos Bank N.V. hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2017, waar de Stichting, vertegenwoordigd door ing. P. Greeven, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, rechtsbijstandverlener te Utrecht, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Schravendijk, H. Velhuizen en A. van der Wal, en door P. Arkenbout, J. de Boer MSc., ing. H. de Haan, ir. A.M. Kruidering, G.M. van der Molen, allen deskundigen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord Join Projecten 2, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn en mr. B.A.J. Haagen, advocaten te Amsterdam, en Triodos Bank, vertegenwoordigd door M.G. Bierman. Overwegingen Inleiding 1. Het plan en de omgevingsvergunning voorzien in de bouw van een kantoorgebouw en de aanleg van een parkeervoorziening met zonnecollectoren in of bij het landgoed De Reehorst. Het plangebied ligt tussen het station van Driebergen-Zeist en de autosnelweg A12. Het nieuwe kantoorgebouw maakt deel uit van de herinrichting van het bestaande landgoed, waarbij een aantal bestaande functies worden gehandhaafd, de parkeerfunctie wordt uitgebreid, geconcentreerd en verplaatst naar de rand van het landgoed en tevens wordt voorzien in natuurcompensatie. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van de Stichting Intrekking beroepsgronden 3. Ter zitting heeft de Stichting haar beroepsgronden ingetrokken dat het plan strijdig is met de Gebiedsvisie Stationsomgeving Driebergen-Zeist 2030, dat de Flora- en faunawet aan uitvoering van het plan in de weg staat, alsmede dat het plan binnen de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van het voormalige agrarische bedrijf van [persoon] aan de Odijkerweg ten onrechte voorziet in een groot agrarisch bouwvlak, de afwijkingsbevoegdheid voor nevenactiviteiten van artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels en de wijzigingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.7, van de planregels. Vooringenomenheid 4. De Stichting betoogt dat in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 201 De Stichting plaatst kanttekeningen bij het onderzoek van Stec Groep van 2015 en de geactualiseerde versie van 2016 (het rapport Ladder toets kantoorruimte Landgoed De Reehorst van Stec Groep van 22 september 2016; hierna: het rapport Laddertoets 2016 van Stec Groep) en meent dat de behoefte aan de in het plan mogelijk gemaakte nieuwe stedelijke ontwikkeling niet is aangetoond. 6.1. Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking (Stb. 2017, 182) in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór deze datum is genomen, dient dit plan echter nog te worden beoordeeld aan de hand van het voordien geldende artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. 6.2. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, luidde ten tijde van belang: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld." 7. De Stichting betoogt in de eerste plaats dat bij de bepaling van de behoefte aan kantoorruimte van een te hoge schatting is uitgegaan. Weliswaar heeft het provinciebestuur zijn schatting van de behoefte aan kantoorruimte voor het Stationsgebied Driebergen-Zeist verlaagd van 30.000 m2 naar 19.000 m2, maar deze schatting is volgens de Stichting nog steeds veel te hoog. De Stichting wijst erop dat bij de schatting wordt uitgegaan van het zogeheten "maximale scenario". Volgens de Stichting is de huidige groei echter veel lager dan dat maximale scenario en vindt een trek plaats naar goed via het openbaar vervoer ontsloten locaties in de stadscentra en naar plekken waar top-regio's tot ontwikkeling komen, zoals het Utrecht Science park. 7.1. In het rapport Laddertoets 2016 van Stec Groep, waarop de raad zich heeft gebaseerd, wordt op p. 6 vermeld dat Stec Groep, uitgaande van het maximale scenario op basis van de meest actuele provinciale behoefteraming vertaald voor de komende tien jaar, voor de gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug uitkomt op een vraag van ongeveer 33.000 m² verhuurbaar vloeroppervlak (hierna: vvo) kantoorruimte tot 2026. Stec Groep verwacht dat het Stationsgebied Driebergen-Zeist hierbinnen een marktaandeel heeft van maximaal ongeveer 40%. Dit betekent volgens Stec Groep een vraag naar kantoorruimte voor het Stationsgebied Driebergen-Zeist van ongeveer 13.000 m² vvo tot 2026. Uitgaande van een verhouding tussen vvo en bruto vloeroppervlak (hierna: bvo) van 85% betekent dit een vraag naar ongeveer 15.000 m² bvo. 7.2. De door de Stichting bedoelde behoefte voor het stationsgebied van 19.000 m2 bvo, zoals deze is geraamd in het rapport Behoefte aan kantoorruimte per locatie in provincie Utrecht t/m 2027 van Stec Groep aan provincie Utrecht van 10 december 2015, heeft betrekking op de periode van 2015 tot en met 2027. Op basis van deze raming heeft Stec Groep in het rapport Laddertoets 2016 berekend dat gedurende de planperiode tot 2026 de vraag voor het stationsgebied 15.000 m2 bvo bedraagt. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de marktvraag naar kantoorruimte in het Stationsgebied Driebergen-Zeist voor De raad stelt in dit verband dat binnen de gemeenten Zeist en Utrechtse Heuvelrug geen bestaande locatie voorhanden is die voorziet in de behoefte van Triodos Bank. Met het oog op de nabijheid van een treinstation vielen tijdens het selectieproces onder meer locaties aan de Utrechtseweg in Zeist, waaronder de locatie Lenteleven direct naast het huidige hoofdkantoor, af. De locatie Lenteleven is ook te klein voor de programmatische behoefte. De buitenplaatsen Schaerweijde en De Brink waren ten tijde van de start van de planontwikkeling en zijn ook nu niet beschikbaar, liggen niet op een openbaar vervoer knooppunt en voldoen niet aan de programmatische eisen zoals het metrage. De kantoren van Rabofacet en TNO in Zeist waren ten tijde van de start van de planontwikkeling geen optie, zowel qua beschikbaarheid als metrage. Ook was er ten tijde van de zoektocht binnen het Stationsgebied Driebergen-Zeist geen pand beschikbaar dat past bij de behoefte van Triodos Bank. Er is volgens de raad geen andere harde plancapaciteit voor kantoorruimte binnen het Stationsgebied Driebergen-Zeist. 9.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat Triodos Bank van oudsher in de regio Zeist en Utrechtse Heuvelrug is gevestigd. Het hoofdkantoor inclusief datacenter is momenteel gehuisvest in panden aan de Utrechtseweg 44 en 60, alsmede Nieuweroordweg 1, te Zeist. De vestiging in Zeist is de enige van de Triodos Bank in Nederland. Het plan voorziet erin dat Triodos Bank de bedrijfsactiviteiten die zij uitvoert op de locaties Utrechtseweg 60 en Nieuweroordweg 1 te Zeist, kan uitbreiden op een op ongeveer 4 kilometer afstand daarvan gelegen locatie op landgoed De Reehorst. In dit verband heeft de raad toegelicht dat voor de bedrijfsvoering van Triodos Bank, die is toegespitst op duurzaam bankieren, de ecologische, maatschappelijke en culturele aspecten van deze locatie van belang zijn. Vestiging van de uitbreiding op een afstand tot enkele kilometers van de te behouden locaties Utrechtseweg 60 en Nieuweroordweg 1 te Zeist leidt tot synergievoordelen, bijvoorbeeld ten aanzien van beveiliging, ICT, beheer en onderhoud. Voorts woont het merendeel van de medewerkers in de regio Utrecht-Amersfoort-Zeist, terwijl meer dan een kwart van de medewerkers binnen fietsafstand van het nieuwe kantoorpand woont. Om bezoekers en medewerkers te stimuleren met het openbaar vervoer naar het kantoor te reizen, acht de raad de directe nabijheid van de locatie tot een goed bediend treinstation, op maximaal 250 tot 300 meter lopen en op een plaats die gunstig is gelegen voor klanten die uit heel Nederland komen, van groot belang. Daarnaast speelt de goede bereikbaarheid van de locatie per auto een rol. Voorts is het landgoed in verval geraakt en rekent Triodos Bank het herstel ervan tot haar maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ten slotte zijn op dit landgoed gebruikers gevestigd, wier activiteiten passen bij de kernwaarden van Triodos Bank. In het licht van deze specifieke omstandigheden heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene uitbreiding van de reeds in de regio Zeist en Utrechtse Heuvelrug gevestigde Triodos Bank voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. 10. De Stichting betoogt voorts dat onvoldoende is bezien of niet in de behoefte kan worden voorzien door transformatie in het bestaande stedelijke gebied. Daarbij wijst de Stichting erop dat binnenstedelijke locaties langs de as van de N225 uitstekend per openbaar vervoer bereikbaar zijn. Verder wijst de Stichting op de transformatieopgave voor het stationsgebied. 10.1. De raad stelt primair dat weliswaar ook de tweede trede van de ladder is doorlopen, maar dat dit in wezen niet had gehoeven, omdat gelet op het voorheen geldende bestemmingsplan ter plaatse van de beoogde locatie sprake is van bestaand stedelijk gebied. Daartoe stelt de raad dat h Mocht de toelichting niettemin een belangrijke rol spelen bij de interpretatie van het bereik van de regeling over "Kantoren op knooppunt", merkt de raad op dat volgens de toelichting doorslaggevend is of het nieuwe kantoor in de directe nabijheid van een OV-knooppunt wordt gesitueerd. Dit is volgens de raad ontegenzeggelijk het geval nu het beoogde kantoorgebouw op ongeveer 100 meter van de stationsvoorzieningen komt te liggen. 12.2. Artikel 3.1 Stedelijk gebied, van de PRV luidt: "1. Als ‘Stedelijk gebied’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken. 2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. […]" Artikel 1.1 Algemene bepalingen, luidt: "[…] 2. In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder: […] verstedelijking: nieuwe vestiging van woningen, niet-agrarische bedrijven, detailhandel en voorzieningen. […]" Artikel 3.5 Kantoren, luidt: "1. Als ‘Kantoren’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken. 2. Een ruimtelijk plan bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in nieuwvestiging van kantoren. […]" Artikel 3.6 Kantoren op knooppunt, luidt: "1. Als ‘Kantoren op knooppunt’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en verbeeld op de kaart Wonen en werken. 2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten voor nieuwvestiging van kantoren en daarmee samenhangende voorzieningen. Voor de locatie Driebergen-Zeist geldt een maximum bruto vloer oppervlak van 30.000 m²." 12.3. In artikel 3.1, eerste lid, van de PRV wordt gebied aangewezen als "Stedelijk gebied". Op kaart 4 Wonen en werken wordt dit gebied aangeduid door middel van een roze kleur, oftewel de zogeheten rode contour. Uit artikel 3.1, tweede lid, volgt dat verstedelijking binnen het als stedelijk gebied aangewezen gebied mag worden toegestaan. Het begrip "verstedelijking" omvat blijkens de definitiebepaling in artikel 1.1, tweede lid, niet alleen de nieuwvestiging van woningen, maar ook van - onder meer - niet-agrarische bedrijven en voorzieningen. In artikel 3.5, eerste lid, van de PRV wordt gebied aangewezen als "Kantoren". Dit gebied is aangeduid op kaart 4 Wonen en werken met een roze kleur en valt samen met dat bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de PRV. Uit artikel 3.5, tweede lid, volgt dat nieuwvestiging van kantoren binnen dit gebied niet mag worden toegestaan. In artikel 3.6, eerste lid, wordt gebied aangewezen als "Kantoren op knooppunt". Op kaart 4 Wonen en werken worden de knooppunten aangeduid door middel van een cirkel. Een zodanige cirkel is onder meer opgenomen ter plaatse van het Stationsgebied Driebergen-Zeist. Uit artikel 3.6, tweede lid, van de PRV volgt dat nieuwvestiging van kantoren in gebied dat is aangewezen als "Kantoren op knooppunt" mag worden toegestaan. Voor de locatie Driebergen-Zeist geldt een maximum bruto vloer oppervlak van 30.000 m². 12.4. Het bij het plan mogelijk gemaakte kantoorgebouw is gelegen binnen de cirkel voor "Kantoren op knooppunt", maar buiten de rode contour. In de toelichting op artikel 3.6 van de PRV wordt vermeld: "Het beleid is er op gericht om een beperkt aantal nieuwe kantoren alleen nog mogelijk te maken in de directe nabijheid van OV-knooppunten. Dat zijn de locaties waar de kantoren uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening gewenst zijn." Uit de onderlinge samenhang tussen de artikelen 3.1, 3.5 en 3.6 van de PRV moet, mede in het licht van deze toelichting, worden afgeleid dat de artikelen 3.1, tweede lid, en 3.5, tweede lid, van de PRV niet afdoen aan de reikwijdte van artikel 3.6, tweede lid, van de PRV. Het betoog van de Stichting dat de cirkel van artikel 3.6 van de PRV indicatief is in die zin dat daarvan geen gebruik kan worden gemaakt voor zover dit leidt to De Stichting wijst erop dat voor de saldotoets het zogenaamde 'kwantiteitscriterium' alsmede een aantal 'kwaliteitscriteria' - bestaande en potentiële waarden; robuustheid en aaneengeslotenheid EHS; aanwezigheid van bijzondere soorten; verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen; behoud samenhang - relevant zijn. In het licht van deze criteria waarborgt het toevoegen van delen van het landgoed aan de EHS niet dat daadwerkelijk een impuls aan de EHS wordt gegeven, aldus de Stichting. De compensatie die in het plan is voorzien is volgens de Stichting, mede gezien de ter plaatse aanwezige bebouwing, gebruiksfuncties en hekwerken, onvoldoende om een adequaat functionerende ecologische verbinding te laten ontstaan. 15.1. De raad stelt dat zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin per saldo sprake is van een verbetering. 15.2. Het Utrechtse NNN(/EHS)-beleid is neergelegd in de PRS. In paragraaf 6.5.1 van de PRS wordt vermeld: "Nieuwe (planologische) ontwikkelingen zijn in principe niet mogelijk binnen de EHS wanneer ze een significant negatief effect hebben op het functioneren van de EHS. De initiatiefnemer van een ontwikkeling moet bij het ’nee, tenzij’- regime de onderbouwing leveren. Om een zorgvuldige beoordeling te kunnen maken zal de initiatiefnemer in een zogenaamd ‘nee, tenzij’-onderzoek de effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op de te beschermen, te ontwikkelen en te behouden factoren moeten specificeren. Het gaat daarbij om de ‘wezenlijke waarden en kenmerken’ van de bij het gebied behorende natuurdoelen en natuurkwaliteit: 1. de bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem waaronder ook begrepen worden de vereiste omgevingsfactoren zoals donkerte, bodem, water en milieu; 2. de robuustheid en de aaneengeslotenheid van de EHS; 3. de aanwezigheid van bijzondere soorten; 4. de verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Een ‘nee, tenzij’-onderzoek kan achterwege blijven, indien het een ontwikkeling van geringe omvang betreft bij een bestaande functie." 15.3. De raad heeft deze toetsing mede aan de hand van de EHS-wijzer Utrecht van de provincie Utrecht van 2015 uitgevoerd. Hierin wordt een handvat gegeven voor de NNN-toetsing en de toepassing van de saldobenadering. In de EHS-wijzer Utrecht worden uit de PRV en PRS 6 toetsingsaspecten afgeleid: 1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem; 2. De robuustheid en aaneengeslotenheid van de EHS; 3. De aanwezigheid van bijzondere soorten; 4. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen; 5. Behoud van oppervlakte; 6. Behoud van samenhang. In de EHS-wijzer Utrecht wordt de methode beschreven waarbij aan deze aspecten telkens een score (−, 0 of +) wordt toegekend, welke scores vervolgens tegen elkaar worden afgewogen in een tabel. 15.4. De saldobenadering is uitgewerkt in hoofdstuk 5 van het rapport Toetsing natuur bestemmingsplan landgoed De Reehorst van Arcadis van 22 september 2016 (hierna: de Natuurtoets). In paragraaf 5.2.7 staat een samenvatting van de beoordeling. Volgens dit rapport is in de toetsing aangetoond dat dit bestemmingplan geen activiteiten mogelijk maakt die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vermeld wordt dat zowel de oppervlakte als de kwaliteit per saldo (rekening houdend met het nieuwe kantoorgebouw en de bijbehorende infrastructuur) toeneemt ten gevolge van de ontwikkelingen. Uit vergelijking van oppervlaktes kan volgens het rapport worden geconcludeerd dat de totale oppervlakte natuur binnen het NNN toeneemt met ruim 1,5 hectare. De toetsing van kwaliteit vindt plaats aan de hand van de overige 5 genoemde criteria. In de onderstaande tabel is de beoordeling per criterium samengevat. Op grond van deze toetsing mag volgens het rapport de conclusie worden getrokken dat er per saldo zowel kwantitatief als kwalitatief sprake is van kwaliteitswinst. Er is volgens het rapport derhalve geen sprake van Doordat het parkeren op het landgoed zo veel mogelijk buiten het NNN wordt geplaatst en het totale oppervlak aan natuur toeneemt is er per saldo sprake van een toename van natuurkwaliteit. In huidige situatie is er in wezen ook geen sprake van een ongestoord bos, aldus de raad. 15.10. In paragraaf 5.2.6.1 van de Natuurtoets wordt geconcludeerd dat de ontwikkelingen per saldo bijdragen aan het functioneren van de ecosystemen op het landgoed. Hoewel er op een aantal specifieke locaties sprake zal zijn van een afname van natuurkwaliteiten, wordt door de overige ontwikkelingen het ecosysteem op het landgoed alsook op breder gebiedsniveau versterkt. Daarnaast is er volgens de Natuurtoets geen sprake van aantasting van de potentiële natuurtypen. In het licht van hetgeen de raad naar voren heeft gebracht, geeft hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet van mocht uitgaan dat de ontwikkelingen per saldo bijdragen aan het functioneren van de ecosystemen op het landgoed. Robuustheid en aaneengeslotenheid 15.11. De Stichting betoogt dat de bosgedeelten aan weerszijden van het nieuwe kantoorgebouw door de omvang van het nieuwe gebouw sterk versnipperd raken, waardoor deze minder geschikt zullen worden voor soorten die eisen stellen aan een minimumoppervlakte van een biotoop. Door de oprichting van het gebouw en de aanleg van nieuwe paden zal tevens een barrière ontstaan tussen de resterende beide bosgedeelten. Hierdoor zullen deze hun waarde als 'stepping stone' binnen de ecologische structuur verliezen voor soorten, waarvoor de aanwezigheid van relatief ongestoord hoog opgaand bos van belang is. Ook van het amfitheater, de parkeerplaats en de ontsluitingsweg zal, ook al zijn beide laatste grotendeels gelegen buiten het NNN, een barrièrewerking uitgaan, aldus de Stichting. 15.12. De raad stelt dat in de oude situatie beide bosgedeelten alleen waren gescheiden door "Zweedse huisjes" en beplanting. In de toekomst komt hier het kantoorgebouw te staan. Om ervoor te zorgen dat het bos in totaliteit goed blijft functioneren, worden de boselementen versterkt door de randen van de bossen te ontwikkelen en aan te sluiten op nieuw te ontwikkelen bos. In totaliteit betekent dit dat de functie van "stapsteen" van het landgoed wordt versterkt maar wel opschuift naar het zuidoosten. Het huidige NNN op het landgoed vormt geen samenhang, geen geheel met de omgeving en is daarmee niet robuust, aldus de raad. Door aan te sluiten op de compensatieopgave van het infraproject ontstaan robuustere eenheden bos in het zuidelijke deel. Door de aansluiting met de faunapassage onder de A12 ontstaat er volgens de raad een grote "stapsteen" voor soorten van de overgang van het relatief natte Kromme Rijngebied naar de Utrechtse Heuvelrug. De locatie van het amfitheater, het nieuwe parkeerterrein en de nieuwe ontsluitingsweg bestaat deels uit landbouwgrond. Door de versterking van de bosranden, extra beplanting en samenhang van bos op het totale landgoed wordt volgens de raad de samenhang in het gebied gegarandeerd. 15.13. In paragraaf 5.2.6.2 van de Natuurtoets wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van het onderhavige aspect in het noordelijke deel per saldo een afname is, maar wordt de ontwikkeling in combinatie met het zuidelijke deel als neutraal tot positief beoordeeld. In het licht van hetgeen de raad naar voren heeft gebracht, geeft hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet van mocht uitgaan dat de gevolgen van het plan voor de robuustheid en aaneengeslotenheid als neutraal tot positief zijn aan te merken. Aanwezigheid van bijzondere soorten 15.14. De Stichting betoogt dat van de voorgenomen activiteit een negatieve invloed op aanwezige beschermde soorten zal uitgaan. De Stichting betwijfelt of dat kan worden gecompenseerd door de ontwikkeling van extra natuur. Uit het natuuronderzoek van Arcadis blijkt dat in het gedeelte van het bos dat voor de bouw De Stichting betoogt dat de nieuwe ontsluitingsweg naar de nieuwe parkeerplaats een extra barrière voor dieren zal vormen. De nieuwe ontsluitingsweg die door de strook met nieuwe natuur is geprojecteerd zal volgens de Stichting een negatieve invloed uitoefenen op het NNN, ondanks dat er minimaal twee faunapassages zullen worden gerealiseerd. De Stichting vraagt zich af of, gezien de ligging van de weg dwars op de ecologische verbinding, de faunapassages wel effectief zullen zijn. Bovendien is onduidelijk welke omvang deze zullen hebben en voor welke doelsoorten deze geschikt zijn. De Stichting betwijfelt voorts of door de beoogde natuurcompensatie een versterking van de ecologische corridor tussen de faunapassage onder de A12 nabij landgoed Rijnwijck en de bossen van de Utrechtse Heuvelrug optreedt. In dit verband wijst de Stichting erop dat waar ten behoeve van deze corridor natuur wordt toegevoegd ook een aantal gebouwen staat. In dat verband wijst de Stichting op de boerderij 'De Wederkerigheid', de 'Witte Villa' en - volgens de Stichting deels illegale - gebouwen van het Louis Bolk Instituut, ook al zal een deel daarvan worden verwijderd. Voorts betoogt de Stichting dat de hekwerken van het Hertenkamp op het landgoed Beerschoten-Willinkshof blijven staan, zij het dat deze worden aangepast om kleinere diersoorten door te laten. Gelet hierop zal de corridor niet optimaal kunnen functioneren voor de doelsoorten, waaronder de das, ree en boommarter. 15.18. De raad stelt voorop dat de beoogde toegangsweg naar zijn mening de enige overgebleven aanvaardbare wijze van ontsluiting van het parkeerterrein betreft. Vanwege de herontwikkeling van de stationsomgeving kan de huidige hoofdtoegang van het landgoed niet in gebruik blijven. Voor ontsluiting via de Odijkerweg is niet gekozen, omdat daardoor de belasting van woningen aan de Odijkerweg toeneemt. Ook zou in een dergelijk geval op het stationsplein een knelpunt voor het verkeer kunnen ontstaan. Door de verbreding van de Hoofdstraat in het kader van de herontwikkeling van het stationsgebied, is deze beter toegerust om het verkeer snel en adequaat te verwerken. Om de natuur zoveel mogelijk te ontzien wordt het verkeer, in tegenstelling tot de huidige situatie, zoveel mogelijk langs de rand van het landgoed en met een zo rechtstreeks mogelijke verbinding naar het voorziene parkeerterrein geleid. De raad stelt dat de verdiept gelegen ontsluitingsweg, onder meer vanwege de beperkte snelheid en breedte, voor grotere diersoorten geen barrière vormt, maar dat dit voor kleine diersoorten niet geheel is uit te sluiten. Voor deze soorten worden daarom de twee faunapassages aangelegd met geleidende maatregelen, waardoor de effectiviteit hiervan wordt versterkt. Door een loopgoot, hoog in het profiel van de weg, kunnen amfibieën, reptielen en kleine zoogdieren de weg passeren. De effectiviteit van dergelijke tunnels is volgens de raad algemeen aanvaard en erkend. De ontbrekende schakel tussen het bos in en rond het Beukenkruis en de onderdoorgang onder de A12 wordt volgens de raad door de natuurinrichting ingevuld. Doordat het Louis Bolk Instituut wordt verplaatst zal het Beukenkruis ook beter functioneren. De mogelijkheid van hekwerken van twee meter leidt volgens de raad niet tot een onaanvaardbare beperking in het functioneren van de corridor. Ingevolge artikel 6, lid 6.2.2, onder a, van de planregels zijn erf- en terreinafscheidingen alleen toegestaan aan de buitengrenzen van de bestemming "Natuur". Daarnaast kunnen de afscheidingen dusdanig worden vormgegeven dat dieren de mogelijkheid hebben om te migreren. In totaliteit acht de raad de verbindingsfunctie positief, vooral vanwege de inrichting van ontbrekende schakels en de verbetering van samenhang in het gebied. Het noordwestelijke deel is door het gebruik weliswaar minder geschikt, maar door versterking van de bosranden en zonering wordt een verbinding gecreëerd. 15.19. In paragraaf 5.2.6.4 van de Natuurtoets wordt geconcludeer Het betoog faalt. Cultuurhistorie 16. De Stichting betoogt dat het landgoed deel uitmaakt van de CHS van de provincie Utrecht en de SLW. Volgens het beleid is er weliswaar ruimte voor economische dragers mits deze bijdragen aan herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatsen, waarbij het moet gaan om kleinschalige stedelijke functies dan wel bebouwing. In het onderhavige geval gaat het volgens de Stichting evenwel om een nieuw kantoorgebouw van een zodanige omvang, dat daarbij niet langer van een kleinschalige stedelijke functie kan worden gesproken. Daarbij komen nog een nieuw parkeerterrein met 400 parkeerplaatsen, een nieuwe ontsluitingsweg, vele nieuwe paden en parkeervoorzieningen ter hoogte van de nieuwe gebouwen. Door de omvang van deze ontwikkeling zal zij de gehele buitenplaats gaan domineren. De ontwikkelingen zijn volgens de Stichting daarom strijdig met het bepaalde in de PRV voor gebieden die deel uitmaken van de CHS. De Stichting bestrijdt dat het landgoed alleen kan worden gered als daarvoor een nieuwe economische drager wordt gevonden. Volgens de Stichting is een levensvatbaar voorbeeldlandgoed op het gebied van duurzaamheid ook mogelijk zonder dat daarvoor een geheel nieuw kantoorgebouw wordt gebouwd. 16.1. De raad stelt dat het landgoed met de komst van Triodos Bank een nieuwe economische drager heeft die het nodig heeft voor een duurzame en stevige toekomst. Volgens de raad wordt op uiterst zorgvuldige wijze - indachtig de ecologische, cultuurhistorische, maatschappelijke en economische belangen - bijgedragen aan een aanzienlijke versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het gebouw is zodanig gemodelleerd en gepositioneerd dat enerzijds de historische zichtas open blijft en anderzijds de waardevolle bomen zoveel mogelijk behouden kunnen worden. 16.2. Artikel 2.10, tweede lid, van de PRV luidt: "1. Als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ wordt aangewezen de gebieden ‘Historische buitenplaatszone’, ‘Militair erfgoed’, ‘Agrarisch cultuurlandschap’ en ‘Archeologie’ waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Cultuurhistorie. 2. Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. Historische buitenplaatszone: de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone wordt behouden en versterkt; […]" 16.3. Niet in geschil is dat de ontwikkeling is voorzien op gronden die in de PRV zijn aangewezen als "Historische buitenplaatszone". Volgens de toelichting op artikel 2.10, tweede lid, van de PRV is voor de historische buitenplaatszone behoud door ontwikkeling het uitgangspunt. Er is ruimte voor ontwikkelingen gericht op het creëren van economische kostendragers indien deze bijdragen aan het herstel en versterking van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone. Hierbij kan volgens de toelichting gedacht worden aan kleinschalige stedelijke (of stedelijk gelieerde) functies dan wel bebouwing. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling met economische kostendrager bijdraagt aan het herstel en de versterking van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaats. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met de voorwaarde van artikel 2.10, tweede lid, onder a, van de PRV, dat de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone wordt behouden en versterkt. Ten aanzien van de SLW verwijst de Stichting - in haar zienswijze - naar het beleidsdocument De Utrechtse Buitenplaatsbiotoop van de provincie Utrecht van 2013, maar zij heeft niet onderbouwd waarom daarmee strijd zou bestaan. Het betoog faalt. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 17. De Stichting betoogt dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld, waarbij natuurvriendelijke alternatieven in beeld waren geb Voor zover de raad het afwijken van deze eis aanvaardbaar acht, gezien de kwaliteitswinst die van de ontwikkeling op het landgoed als geheel zou uitgaan, alsmede omdat een ondergrondse parkeergarage van meer dan 4 parkeerlagen zou leiden tot droogteschade voor de bomen op het landgoed, kan de Stichting zich daarin niet vinden. In dat kader voert zij aan dat het hier niet om een uitbreiding van een bestaand gebouw gaat, maar om een geheel nieuw gebouw met een grote footprint. Het ligt volgens de Stichting voor de hand dat het uitgaande van zo'n groot nieuw kantoorgebouw vrijwel onmogelijk wordt aan de voorwaarden van ondergronds parkeren te voldoen. Voorts hebben op de overgang van de Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied, dus op grond- en kwelwater afhankelijke locaties, grootschalige ondergrondse voorzieningen vrijwel altijd gevolgen voor het bomenbestand. Volgens de Stichting miskent de raad dan ook dat de oorzaak van het probleem is gelegen in de omvang van het kantoorgebouw. Doordat niet is gekeken naar een integrale oplossing van de parkeerproblematiek van het stationsgebied en De Reehorst, komt daar nu niet alleen een groot nieuw kantoorgebouw, maar ook een groot nieuw parkeerterreinen en nieuwe ontsluitingsweg naartoe, aldus de Stichting. 18.1. De raad stelt dat bewust wordt afgeweken van de wens dat parkeren ondergronds plaatsvindt. Dit bleek niet mogelijk en realistisch. Een veranderingsvraag, of het nu uitbreiding of herontwikkeling is, wordt volgens de raad - ook indachtig de structuurvisie - integraal benaderd waarbij wordt gezocht naar maatwerk. In dit geval draagt het plan bij aan een duurzame functiemenging, wordt de ruimte voor natuur vergroot en leidt het tot een kwaliteitsverbetering. De huidige parkeerplaatsen in de historische zichtas en binnen het NNN worden opgeheven en een nieuwe parkeervoorziening wordt buiten het NNN gesitueerd. Het parkeerterrein wordt landschappelijk ingepast en aangekleed met bomen en rondom voorzien van een aarden wal. Hiermee verdwijnt het parkeren vrijwel volledig uit het zicht. Een ondergrondse parkeervoorziening van 400 parkeerplaatsen is door de raad onderzocht en onwenselijk geacht. Dit zou onder het nieuw beoogde kantoorgebouw neerkomen op vier parkeerlagen, waardoor de parkeervoorziening volledig in het grondwater zou komen te liggen. Het grondwater en het NNN worden hierdoor significant verstoord, aldus de raad. Ook zou dit grotere risico's inhouden voor de monumentale bomen, zowel voor het wortelgestel als vanwege mogelijke ongewenste verdroging. De ontsluiting van de ondergrondse parkeergarage zou ook een grotere verstoring van het hart van het landgoed met zich brengen, aangezien een directe aansluiting op het stationsplein of de Odijkerweg niet mogelijk is. Hierbij komt dat de kosten van een dergelijke ondergrondse parkeervoorziening zowel qua investering als onderhoud niet reëel zijn gebleken. Het plan met de gekozen oplossing van een parkeervoorziening buiten het NNN leidt volgens de raad tot een kwaliteitsverbetering en past hiermee te meer in de doelstelling en visie van de structuurvisie. 18.2. In paragraaf 6.4 van de structuurvisie wordt vermeld: "Uitgangspunt is voor de landgoederen in deze zone dat uitbreiding van de gebouwen met 10% van de ‘footprint’ mogelijk is als bestaande terreinparkeerplaatsen ondergronds worden aangelegd. Twee lagen heeft de voorkeur omdat de groene setting en de ecologische verbindingen dan beter kunnen worden beschermd dan met een enkele laag, mits de grondwaterstromen niet verstoord worden. In alle gevallen zal sprake moeten zijn van maatwerk. Wanneer door herontwikkeling van de bestaande gebouwen met extra functionele mogelijkheden een grotere parkeerbehoefte ontstaat dan in de bestaande situatie, moet deze extra parkeerbehoefte in ieder geval ondergronds worden opgevangen." 18.3. De Afdeling begrijpt het betoog van de Stichting aldus dat volgens haar de door de raad genoemde risico’s op verstoring van het grondwater Bovendien wordt de Hoofdstraat verbreed en is deze daarmee beter toegerust om het verkeer snel en adequaat te verwerken, aldus de raad. 19.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. 19.3. Ter onderbouwing van zijn keuze om op het landgoed het kantoorgebouw toe te staan op een locatie in het noordoostelijke deel, ondanks ligging in het NNN, heeft de raad primair verwezen naar de toepassing van de NNN-saldobenadering. Zoals in 16.23 is overwogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan ruimtelijke ontwikkelingen toestaat die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de locatie waar het parkeerterrein is voorzien geen reëel alternatief is voor het kantoorgebouw, aangezien deze zich bevindt buiten de aanduiding "Kantoren op knooppunt" als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de PRV. Gelet hierop zijn de voor- en nadelen van het gekozen en het door de Stichting genoemde alternatief voldoende in de afweging van de raad betrokken. Het betoog faalt. Water 20. De Stichting betoogt dat de bouw van het nieuwe kantoorgebouw kan leiden tot verdroging van de in directe omgeving voorkomende monumentale bomen. In dit verband wijst de Stichting erop dat blijkens het Waterhuishoudkundig onderzoek De Reehorst van Arcadis van 22 september 2016 het plan bestaat om onder het nieuwe gebouw een kelder te bouwen, waarvoor een bemaling van het grondwater nodig is. Uit de bemalingsberekening blijkt dat er tijdens de bouw met name ten aanzien van de zogeheten GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) dalingen tot meer dan 1 m kunnen optreden. In het onderzoek wordt geadviseerd om met damwanden of injectie te werken, maar een dergelijk maatregelenpakket is niet in het plan opgenomen. 20.1. De raad stelt dat als tijdens de bouw wordt bemalen er tijdelijk een verlaagde grondwaterstand is in de omgeving. Indien noodzakelijk zal water worden teruggepompt of geïnfiltreerd in de bodem zodat geen effect bij de bomen meer optreedt of wordt een verlaging gecompenseerd door watergiften bij de bomen. De werkzaamheden kunnen ook buiten het groeiseizoen worden uitgevoerd. 20.2. In paragraaf 5.3.1 van het Waterhuishoudkundig onderzoek wordt vermeld: "Het Triodos gebouw krijgt een verdiepte kelder. […] Vooralsnog is het uitgangspunt dat de kelder op NAP +2,2 m wordt aangelegd en met een open bemaling met gedeeltelijk[…] damwanden wordt gerealiseerd. […] Afhankelijk van de uitvoeringsperiode zijn compenserende maatregelen voor (monumentale) bomen noodzakelijk. Afstemming hierover met een bomen deskundige en met het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden is hiervoor noodzakelijk. Na de bouwfase herstellen de huidige grondwaterstanden, de diepte van de kelder heeft geen invloed op de grondwaterstroming (opstuwing of verlaging). Effecten in de eindsituatie zijn maximaal orde van centimeters direct naast het gebouw, niet relevant voor de bomen. Grondwatermonitoring voor, tijdens en na uitvoering van de bouw is noodzakelijk." In paragraaf 3 van het Memo Bemalingsberekening nieuwbouw Triodos Reehorst van Arcadis van 15 december 2015 wordt vermeld: "Met name in de GHG situatie moet rekening worden gehouden met bomen nabij de bemaling. In deze situatie zien we nabij de ontgraving de grondwaterstanden flink dalen, tot meer dan een meter […]. Om de grondwaterstanddaling nabij bomen te beperken kunnen de volgende maatregelen getroffen worden: • Damwanden rondom ontgraving om toestroom en grondwaterstanddaling te beperken; • Injectie nabij gevoelige bomen om grondwaterstanddaling te beperken. • Water geven." 20.3. Uit het Memo Bemalingsbe De raad stelt dat het door de Stichting bedoelde akoestisch onderzoek in het kader van het bestemmingsplan "Stationsgebied Driebergen-Zeist" betrekking heeft op de wijziging van de spoorlijn en de fysieke wijzing van enkele wegen nabij het station, waaronder het meest noordelijke deel van de Odijkerweg. Het akoestisch onderzoek behorende bij het onderhavige plan heeft volgens de raad in beginsel betrekking op andere geluidbronnen, namelijk de te realiseren parkeervoorziening en bijbehorende aanrijroute over het landgoed De Reehorst. Deze bronnen zijn afzonderlijk beoordeeld en staan los van de bronnen die in het kader van het project Stationsgebied Driebergen-Zeist zijn onderzocht. Het project Stationsgebied Driebergen-Zeist staat volgens de raad niet in de weg aan ontwikkelingen in deze omgeving. Bij de beoordeling voor het onderhavige bestemmingsplan is tevens gekeken naar de cumulatieve geluidniveaus. 23.2. In het akoestisch onderzoek De Reehorst; parkeren en ontsluiten van Arcadis van 14 september 2016 (hierna: het akoestisch onderzoek) wordt geconcludeerd dat realisatie van de parkeerplaats en ontsluitingsroute ten aanzien van het aspect geluid niet op bezwaren zal stuiten. In het kader van de zorg voor een goede ruimtelijke ordening is mede de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk gemaakt. Vermeld wordt dat uit de berekeningen volgt dat ter plaatse van alle beoordelingspunten de geluidbelastingen ten gevolge de omliggende openbare wegen die buiten dit bestemmingsplan liggen maatgevend zijn. De bijdrage van de nieuwe parkeerplaats en ontsluitingsroute aan de gecumuleerde geluidbelasting is veelal (zeer) beperkt. Op enkele beoordelingsposities ([locatie 3]) neemt de gecumuleerde geluidbelasting met maximaal 2 dB toe tot 54 dB(A). 23.3. De Afdeling overweegt dat in het akoestisch onderzoek de cumulatie is onderzocht van het geluid vanwege de nieuwe parkeerplaats en ontsluitingsroute met de omliggende openbare wegen - Rijksweg A12, Odijkerweg, Hoofdstraat, Stationsweg - en de spoorlijn Utrecht-Arnhem. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat de raad dit onderzoek niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gecumuleerde geluidbelasting niet dermate hoog is dat er sprake zou zijn van een onaanvaardbare situatie. Het betoog faalt. Spuitcirkels 24. De Stichting betoogt dat, bij de beoordeling of de spuitcirkel van het aangrenzende fruitteeltbedrijf een belemmering vormt voor de mogelijke vestiging van het Louis Bolk Instituut aan de Odijkerweg, de gehanteerde afstanden onvoldoende zijn gebaseerd op de beleidsregels zoals die in de regio worden gehanteerd. 24.1. De raad stelt dat indien gebruik gemaakt wordt van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels met het oog op mogelijke vestiging van het Louis Bolk Instituut, één van de voorwaarden is dat de agrarische functie van aangrenzende gronden niet onevenredig mag worden aangetast. In dit kader verwijst de raad naar het rapport Onderzoek spuitcirkel [locatie 1] te Driebergen van Arcadis van 22 september 2016. 24.2. Artikel 3, lid 3.5.3 Afwijking agrarisch- en duurzaam onderzoeksinstituut, van de planregels luidt als volgt: "Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 3.1 voor het toestaan van het gebruiken van gronden en gebouwen binnen een bouwvlak voor een agrarisch- en duurzaam onderzoeksinstituut tot een maximum van 1.700 m2, mits: a. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsbebouwing van het betreffende agrarisch bedrijf niet wordt vergroot, voor zover deze vergroting betrekking heeft op het met de omgevingsvergunning toegestane gebruik; b. de agrarische functie van aangren Hiertoe dient te worden onderzocht wat in dat specifieke geval de effecten zijn van het plaatsen van een windhaag of een constructie met gelijkwaardige filterende werking of van de benutting van nieuwe spuittechnieken waardoor drift van gewasbeschermingsmiddelen effectief afgeschermd kan worden, en waarbij alle specifieke omstandigheden van het geval zijn betrokken. Bij het toepassing geven aan de afwijkingsbevoegdheid dient het bevoegd gezag alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen af te wegen. In het kader van een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden gesteld. 24.7. Uit het vorenstaande volgt dat voldoende duidelijk is in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college tot het verlenen van een omgevingsvergunning mag overgaan en dat daarbij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor derden dient te worden gegarandeerd. Gelet hierop is artikel 3, lid 3.5.3, van de planregels in overeenstemming met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Het betoog faalt. Planregels 25. De Stichting betoogt dat de voorwaardelijke verplichting van artikel 3, lid 3.4.1, van de planregels - inhoudende dat de nieuwe ontsluitingsweg pas mag worden gebruikt indien ter plaatse minimaal in één faunapassage is voorzien - haar bezwaren tegen de ontsluitingsweg niet wegneemt. Voorts twijfelt zij aan de effectiviteit van de faunapassage en vraagt zij zich af hoe deze kan worden gerealiseerd bij een half verdiept gelegen ontsluitingsweg. 25.1. De raad stelt dat een faunapassage effectief zal zijn. Voor grote zoogdieren levert de ontsluitingsweg, gezien de passagetijd en de breedte, geen belemmeringen op. Voor kleine dieren treden ten gevolge van de ontsluitingsweg wel belemmeringen op, zodat daarvoor 2 faunapassages zullen worden gerealiseerd, als open constructie boven de grondwaterstand. 25.2. Artikel 3, lid 3.4.1 Voorwaardelijke verplichting, van de planregels luidt: "Het gebruik als bedoeld in 3.1 sub d is uitsluitend toegestaan indien de ontsluitingsweg met tenminste één faunapassage ter plaatse van de aanduiding 'half verdiepte ligging' voor ingebruikname van de ontsluitingsweg is aangelegd en in stand wordt gehouden overeenkomstig Bijlage 1 bij deze regels." Bijlage 1 bij de planregels bevat profieltekeningen van de half verdiepte ligging van de ontsluitingsweg. 25.3. De Afdeling overweegt dat de Stichting zich door middel van haar beroepsgrond tegen deze planregel niet kan keren tegen de ontsluitingsweg als zodanig. Ter zitting heeft de Stichting betoogd dat faunapassages wel zullen worden gebruikt door soorten zoals reptielen en de hazelworm, maar niet door grotere zoogdieren, althans geen optimale situatie opleveren voor deze dieren. De Stichting heeft echter niet nader onderbouwd waarom de raad ten onrechte zou stellen dat de ontsluitingsweg gezien de passagetijd en de breedte geen belemmering voor deze dieren oplevert. Voorts overweegt de Afdeling dat door middel van de voorwaardelijke verplichting toezicht vanwege het bevoegd gezag bestaat op de te treffen maatregelen, ten einde deze werkzaam te laten zijn. Het betoog faalt. 26. De Stichting betoogt dat de voorwaardelijke verplichting tot realisatie van natuur van artikel 5, lid 5.3.2, van de planregels ten onrechte afhankelijk is gesteld van het gebruik en niet de bouw. Als het gebouw eenmaal is gebouwd heeft inmiddels aantasting van de natuur, het landschap en cultuurhistorie plaatsgevonden, ook als van het gebruik wordt afgezien. Volgens de Stichting zou in plaats van het gebruik de bouw als voorwaarde moeten worden opgenomen. Hoewel volgens de raad door de relatie met het gebruik de continuïteit wordt gewaarborgd, ziet de Stichting niet in waarom dat niet het geval zou zijn als de verplichting aan de bouw wordt gekoppeld. 26.1. De raad stelt dat de voorwaardelijke verplichting aan de gebruiksregels is gekoppeld en niet aan de bouw omdat bij de relatie met gebruik continuïteit wordt gewaarborgd. Daarnaast biedt dit voo Vanuit ruimtelijk oogpunt is dit volgens het college ook rechtszekerder, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen na voltooiing van de bouwwerkzaamheden is uitgewerkt. Het bestemmingsplan daarentegen blijft als toetsingskader gelding behouden. 28.2. Zoals hiervoor onder 26.3 is overwogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorwaardelijke verplichting van artikel 5, lid 5.3.2, van de planregels waarborgt dat de beoogde natuurontwikkeling gerealiseerd en permanent in stand gehouden wordt. In het licht hiervan heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet noodzakelijk is om in zoverre nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Het betoog faalt. 29. De Stichting keert zich voorts tegen de verschillende parkeerterreintjes, met in totaal ongeveer 58 parkeerplaatsen, en wandelpaden die op het terrein op de bij de omgevingsvergunning gevoegde Situatietekening Maatregelenkaart en Koepelaanlegvergunning technische tekening staan aangegeven. De Stichting betwijfelt of de 58 parkeerplaatsen alleen bestaande parkeerplaatsen betreffen. Aangezien deze parkeerplaatsen op kwetsbare plaatsen zijn geprojecteerd en de paden door de beide kwetsbare bosgedeelten zijn geprojecteerd en hiervoor voldoende alternatieven beschikbaar zijn, betekenen de parkeerplaatsen en paden volgens de Stichting een onevenredige aantasting. Voorts keert de Stichting zich tegen de aanleg van een grote vijver als deze wordt aangevuld met grondwater. 29.1. Het college stelt dat de parkeervoorzieningen bij de verschillende gebouwen met in totaal 58 parkeerplaatsen een bestaande situatie betreffen en geen onderdeel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning. In de toelichting bij het bestemmingsplan is in paragraaf 4.6 onder het kopje "parkeren" een afbeelding toegevoegd waarin de 58 bestaande parkeerplaatsen zijn weergegeven. Wat betreft de paden en het betoog over de aanvulling van de nieuwe vijver met grondwater verwijst het college naar hetgeen de raad eerder heeft gesteld. 29.2. De Stichting heeft niet bestreden dat de 58 parkeerplaatsen een bestaande situatie betreffen en geen onderdeel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning. Gelet op hetgeen onder 16.10 is overwogen over de paden en onder 23.2 over de vijver, ziet de Afdeling in hetgeen de Stichting over de paden en de vijver heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet zo heeft mogen verlenen als het heeft gedaan. Het betoog faalt. 30. De Stichting betreurt dat de beuk met boomnummer 215 niet kan worden verplant, terwijl dat nog wel als zodanig op de kaplijst staat aangegeven. 30.1. Het college stelt dat het helaas niet mogelijk is gebleken om boom 215 te verplanten. De staat (gezondheid) van de boom is niet voldoende om een verplanting te overleven. 30.2. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Het betoog faalt. 31. De Stichting kan zich er niet mee verenigen dat grondwerken zullen worden uitgevoerd, waarbij een deel van het terrein tot maximaal 60 cm wordt opgehoogd, teneinde de nieuwe ontsluitingsweg aan het zicht te onttrekken. Hiertoe voert zij aan dat dit een aantasting van de aanwezige gradiënt betekent. Volgens de Stichting zou het beter zijn de nieuwe ontsluitingsweg iets verdiept aan te leggen, om de aanwezige gradiënt te kunnen behouden. 31.1. Het college stelt dat de werken en werkzaamheden die nodig zijn voor de ontwikkelingen op het landgoed vallen onder provinciale vrijstellingen, zodat geen ontgrondingsvergunning noodzakelijk is. 31.2. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat dit standpunt van het college onjuist is. Het betoog faalt. Het beroep van [appellanten sub 2] 32. [ appellanten sub 2], die wonen aan de [locatie 3 Bovendien zal het zicht op het parkeerterrein gedurende de wintermaanden nog steeds blijven. Ook zal, ondanks de bomenrij, het zicht op de constructie met zonnepanelen onverkort blijven. Door het aanleggen van een grondwal van 0,85 meter hoog en beplantingen wordt het zicht op deze constructie niet ontnomen. 35.1. De raad stelt dat hij er veel waarde aan hecht om het hart van het landgoed te ontlasten door het huidige parkeerterrein aldaar op te heffen. Het nieuwe parkeerterrein is gepositioneerd direct aansluitend op het parkeerterrein van de KLPD en de bestaande verstedelijkingsstructuur van de Odijkerweg. Hoewel het uitzicht voor [appellanten sub 2] feitelijk zal veranderen, benadrukt de raad dat het huidige bestemmingsplan "Driebergen - Buitengebied" al voorziet in de mogelijkheid om aldaar bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van 6 meter op te richten en bedrijfsgebouwen met een goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter. De afstand tussen de dichtstbij gelegen gevel van de woning, inclusief aanbouw, tot de grens waar de dichtstbij gelegen parkeerplaats met zonnepanelen kan worden gerealiseerd, bedraagt volgens de raad 10,20 meter. Verder neemt de voorgeschreven landschappelijke inpassing, mede gezien de maximale bouwhoogte voor de constructie van zonnepanelen, het zicht op de constructie met zonnepanelen grotendeels weg, terwijl ook het zicht op het parkeerterrein vrijwel geheel wordt weggenomen. Het uitzicht vanaf de woning richting het zuidwesten blijft onveranderd, aldus de raad. 35.2. Er bestaat geen blijvend recht op vrij uitzicht. De raad acht het van zwaarwegend belang om, ten einde het hart van het landgoed te ontlasten en de zichtlijnen van het landgoed te respecteren, het parkeerterrein niet langer op de bestaande locatie maar de thans gekozen locatie buiten het NNN te situeren. Op grond van de voorwaardelijke verplichting van artikel 9, lid 9.4, van de planregels dient het parkeerterrein landschappelijk te worden ingepast en in stand te worden gehouden zoals aangegeven op Bijlage 3. Deze bijlage geeft de plaats weer van de aan te leggen begroeiing en de grondwal, alsmede de hoogte van de grondwal die ter plaatse van de woning van [appellanten sub 2] tussen 0,79 m en 1,00 m moet bedragen. Gelet op de belangen bij de verplaatsing van het parkeerterrein en op de voorgeschreven landschappelijke inpassing, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen die gemoeid zijn met de onderhavige ontwikkeling dan aan het belang van [appellanten sub 2] bij behoud van het bestaande uitzicht. Verder heeft Join Projecten 2 ter zitting toegezegd op de grondwal struiken van 2,5 m, een haag van 5 m en bomen van 15 m hoogte te zullen realiseren. Het betoog faalt. 36. [ appellanten sub 2] betogen dat niet is onderbouwd waarom de constructie met zonnepanelen op enkele meters van hun woning gerealiseerd moet kunnen worden. Het parkeerterrein is dusdanig groot dat deze constructie ook op een andere locatie op het parkeerterrein gerealiseerd kan worden, welke voor hen geen nadeel met zich brengt. 36.1. De raad stelt dat de exacte locatie van de zonnepanelen op het parkeerterrein is vrijgelaten in het bestemmingsplan. De raad heeft het niet nodig geacht dat er, naast de maximale bouwhoogte en oppervlakte van de constructie met zonnepanelen en de voorgeschreven landschappelijke inpassing, nadere toetsingscriteria worden opgenomen. Via de verleende omgevingsvergunning is ervoor gekozen de locatie van de zonnepanelen zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de bebouwingsstructuur langs de Odijkerweg, zoals de [locatie 2] (boerderij [persoon]) en de Odijkerweg 25 (KLPD), waarmee de afstand tot het perceel van [appellanten sub 2] toeneemt ten opzichte van hetgeen door de raad aanvaardbaar is geacht in het kader van de planologische afweging. 36.2. De Afdeling overweegt dat op grond van het bestemmingsplan de zonnepanelen niet op enkele meters, maar op onge Voorts sluiten zij niet uit dat het parkeerterrein ook in de avond- en nachtperiode zal worden gebruikt, zodat in die perioden de waarden voor de langtijdgemiddelde en maximale geluidniveaus zullen worden overschreden. 38.1. De raad stelt dat een rijsnelheid van 10 km/uur een representatief gemiddelde is voor parkeerbewegingen op een parkeerterrein. Men is daar op zoek naar een parkeerplaats en het terrein kan worden beschouwd als een doodlopende weg. Ook de landschappelijke inrichting met veel bomen en groen draagt bij aan een lage rijsnelheid. Omdat bij een lagere rijsnelheid de voertuigen zich voor een langere tijdsduur op het parkeerterrein bevinden, levert een lagere rijsnelheid in dit geval juist een hogere geluidbelasting op dan een hogere rijsnelheid. Hierbij speelt mee dat bij rijsnelheden in deze orde van grootte het bandencontactgeluid verwaarloosbaar is, aldus de raad. Omdat de geluidbelasting ten gevolge van de bestaande omliggende openbare wegen maatgevend is en deze wegen buiten het plangebied liggen, kon logischerwijs niet worden aangesloten bij de ambitiewaarde, aldus de raad. Ten aanzien van de avond- en nachtperiode stelt de raad in zijn aanvullend verweerschrift dat hij hier, naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 2], aanvullend onderzoek naar heeft laten verrichten. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het Memo Aanvullend akoestisch onderzoek Bestemmingsplan De Reehorst van Arcadis van 11 mei 2017 (hierna: aanvullend akoestisch onderzoek). Dit bevestigt volgens de raad dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook in de avond- en nachtperiode sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellanten sub 2]. Daarbij wijst de raad erop dat in het aanvullend akoestisch onderzoek is gekozen voor een 'worst-case' benadering die zich in werkelijkheid niet zal voordoen. Een automobilist parkeert volgens de raad logischerwijs pas als laatste mogelijkheid op de meest veraf gelegen locatie, nabij de woning van [appellanten sub 2]. Daarom acht de raad dit - niet geheel uit te sluiten - incidentele gebruik van het parkeerterrein gedurende de nachtperiode vanuit een ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar. Volgens de raad is initiatiefneemster desgewenst bereid om borden te plaatsen, waarmee het gebruik van die parkeerplaatsen gedurende de nachtperiode op deze parkeerplaatsen wordt ontmoedigd. 38.2. In hetgeen [appellanten sub 2] betogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een snelheid van 10 km/u op het parkeerterrein niet representatief kan worden geacht. Voorts acht de Afdeling deugdelijk gemotiveerd dat gelet op de geluidbelasting van wegen buiten het plangebied niet kon worden aangesloten bij de gemeentelijke ambitiewaarde. Ten aanzien van de avond- en nachtperiode overweegt de Afdeling dat volgens het aanvullend akoestisch onderzoek in de nachtperiode sprake zou kunnen zijn van een overschrijding van de waarde van 60 dB(A) voor het maximale geluidniveau uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening met 3 dB bij de woning [locatie 3]. De overschrijding kan volgens het rapport alleen optreden als er binnen een beperkt deel van het parkeerterrein direct nabij de woning geparkeerd wordt. Het parkeerterrein beschikt volgens het rapport over voldoende capaciteit, zodat de oostzijde van het parkeerterrein, die het dichtst bij de functies en de ontsluitingsweg ligt, logischerwijs eerst benut zal worden. Een normale autogebruiker zal volgens het rapport vrijwel geen voorkeur hebben voor het gebruik van de parkeerplaatsen in de nabijheid van de woning gedurende de nachtperiode. Gezien het voorgaande is het volgens het rapport niet aannemelijk dat zich in de nachtperiode een overschrijding van de waarde voor het maximale geluidniveau bij de woning [locatie 3] zal voordoen. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het aanvullend akoestisch onderzoek in zoverre zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad