Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2828
201607527/1/A2. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de Stichting Speciaal Onderwijs en Expertisecentra, gevestigd te Eindhoven, voorheen Stichting Speciaal Onderwijs Eindhoven, als rechtsopvolger van de Stichting Expertisecentrum Antoon van Dijkschool (hierna: de stichting), appellante, en het bestuur van het Participatiefonds (hierna: het Participatiefonds), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2016 heeft het Participatiefonds een verzoek van de stichting om vergoeding van kosten van werkloosheidsuitkeringen, voortvloeiend uit de beëindiging van het dienstverband van [persoon], afgewezen. Bij besluit van 30 augustus 2016 heeft het Participatiefonds het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld. Het Participatiefonds heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2017, waar de stichting, vertegenwoordigd door mr. C.A.M. van Vught en H. de Vries, en het Participatiefonds, vertegenwoordigd door mr. M. Wieërs en I. El Assati, zijn verschenen. Overwegingen Aanleiding 1. De stichting is het bevoegd gezag van de Antoon van Dijkschool te Helmond. [persoon] werkte vanaf 13 januari 1997 op deze school voor (Voortgezet) Speciaal Onderwijs. De stichting heeft met [persoon] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is opgenomen dat verzocht zal worden om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft de arbeidsovereenkomst bij beschikking van 27 januari 2012 ontbonden met ingang van 1 april 2012. 2. De stichting heeft het Participatiefonds verzocht om vergoeding van de uitkeringskosten die voortvloeien uit de beëindiging van het dienstverband van [persoon]. Het verzoek is gebaseerd op artikel 9, onder f, van het Reglement Participatiefonds voor de Expertisecentra voor het schooljaar 2011-2012 (hierna: het Reglement), dat betrekking heeft op ontslag op grond van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. 3. Het Participatiefonds heeft aan het besluit van 30 augustus 2016 ten grondslag gelegd dat de stichting niet heeft voldaan aan de in artikel 9, onder f, van het Reglement opgenomen inspanningsverplichting, omdat zij geen offerte van een outplacementbureau of een ander ter zake overtuigend document heeft overgelegd, waarin het gestelde aanbod tot outplacement nader is geconcretiseerd. Volgens het Participatiefonds heeft de stichting derhalve niet aangetoond dat zij een reëel en substantieel aanbod tot outplacement aan [persoon] heeft gedaan. Dit geldt te meer nu de stichting niet heeft aangetoond dat sprake is geweest van een outplacement als bedoeld in artikel 1, onder 27, van het Reglement, een planmatige begeleiding van [persoon] door een derde waarbij een brede oriëntatie op de arbeidsmarkt en een wezenlijke financiële inspanning van de werkgever kenmerkend zijn, aldus het Participatiefonds. Beroepsgronden 4. De stichting betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU3720, dat de tekst van artikel 4.4.1 van het Reglement niet uitsluit dat met andere bewijsstukken dan in die bepaling is vermeld, kan worden aangetoond dat sprake is van een reëel en substantieel aanbod van outplacement. De stichting voert aan dat zij met de door haar overgelegde vaststellingsovereenkomst en het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft aangetoond dat zij een aanbod van outplacement aan [persoon] heeft gedaan. Het Participatiefonds heeft dit in het besluit van 30 augustus 2016 bevestigd. De stichting voert verder aan dat het aan [persoon] gedane aanbod reëel en substantieel is, gelet op het bedrag dat beschikbaar is gesteld, de onbeperkte geldigheid van het aanbod en omdat het bureau Woltring en Partner (hierna ook: Woltring), gespecialiseerd in outplacementtrajecten in het onderwijs, hierin is genoemd. De stichting stelt dat h Volgens de brochure biedt Woltring daarnaast ondersteuning per mail en per telefoon aan gedurende de looptijd van het traject, dat grofweg uit de volgende fases bestaat: intake; assessment en competentie analyse/beroepskeuze test; persoonlijk actie plan; training of opleiding; werkervaring of stage; matching. Gelet op hetgeen de stichting heeft aangevoerd en de door haar overgelegde vaststellingsovereenkomst, het ontbindingsverzoek en de brochure van Woltring, heeft de stichting aannemelijk gemaakt dat zij een reëel en substantieel aanbod tot outplacement aan [persoon] heeft gedaan en dat het aangeboden outplacementtraject een planmatige begeleiding betreft als bedoeld in artikel 1, onder 27, van het Reglement. Daarmee heeft de stichting in redelijkheid datgene gedaan wat van haar als bevoegd gezag verwacht mag worden ter voorkoming van werkloosheid, respectievelijk om instroom in een werkloosheidsuitkering van [persoon] te voorkomen. Het Participatiefonds heeft derhalve ten onrechte het vergoedingsverzoek van de stichting afgewezen. De verwijzing door het Participatiefonds naar de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3319, treft geen doel omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn. Anders dan hier, bleek uit de in die zaak overgelegde stukken niet wat het aanbod van outplacement inhield. De stelling van het Participatiefonds dat in de zaak van de uitspraak van 9 november 2011 een bedrag van € 10.000,00 beschikbaar was gesteld voor outplacement en andere bewijsstukken zijn overgelegd, treft evenmin doel. Dit laat onverlet dat ook in dit geval aannemelijk is gemaakt dat een reëel en substantieel aanbod tot outplacement is gedaan. Geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het in dit geval ter beschikking gestelde bedrag van € 5.000,00 niet reëel en onvoldoende substantieel is. 5.4. Het beroep van de stichting op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel en hetgeen de stichting voor het overige heeft aangevoerd, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking. Conclusie 6. Het beroep is gegrond. Het besluit van 30 augustus 2016 dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 4 januari 2016 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 7. Het Participatiefonds dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het bestuur van het Participatiefonds van 30 augustus 2016, kenmerk BZW.16.0072.01; III. herroept het besluit van 4 januari 2016, kenmerk Bgnr 74023, Brinnr 14VL; IV. bepaalt dat de uitkeringskosten die voortvloeien uit het ontslag van [persoon] ten laste komen van het Participatiefonds; V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VI. veroordeelt het bestuur van het Participatiefonds tot vergoeding van bij het bestuur van de Stichting Speciaal Onderwijs en Expertisecentra in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. veroordeelt het bestuur van het Participatiefonds tot vergoeding van bij het bestuur van de Stichting Speciaal Onderwijs en Expertisecentra in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.035,71 (zegge: duizendvijfendertig euro en eenenzeventig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het bestuur van het Participatiefonds aan het bestuur van de Stichting Speciaal Onderwijs en Expertisecentra het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedra