Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2821
201701663/1/R2. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te Uden, 3. [appellant sub 3], wonend te Uden, en de raad van de gemeente Uden, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Velmolen Oost fase 3" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2017, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellant sub 2] en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. D.A. Zeilstra en drs. C. Deterink, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.W.M. Schutte, S. Hermsen, L. Stortelder en T. Portegeijs, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting, [belanghebbende A], vertegenwoordigd door ir. L.H.M. van Poppel, A. van Wanrooij, bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, [belanghebbende B] [belanghebbende C] en [belanghebbende D], gehoord. Overwegingen 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. 2. Het plan voorziet in woningbouw op gronden aan de zuidkant van Uden. Het plangebied ligt tussen de Lippstadtsingel (N264) aan de noordzijde, de Boekelsedijk aan de oostzijde, de Morgenweg aan de zuidzijde en de recente nieuwbouwwijk Velmolen (Fase 1) aan de westzijde van het plangebied. Het plangebied is verdeeld in een aantal gebieden met elk hun eigen invulling wat betreft de typen woningen die mogelijk worden gemaakt. In het noordwestelijk deel van het plangebied, waaraan de bestemming "Woongebied - 2" is toegekend, mogen maximaal 71 woningen worden gerealiseerd. Ten oosten en zuidoosten daarvan ligt een gebied waaraan de bestemming "Woongebied - 1" is toegekend. Hier mogen maximaal 30 vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen worden gebouwd. Dit deel van het plangebied wordt in de plantoelichting aangeduid als het gebied "Voor Elk Wat Wils". Verder richting het zuidoosten bevinden zich twee kavels waaraan de bestemming "Wonen - 3" is toegekend. In het zuidwestelijke deel van het plangebied, op de gronden met de bestemming "Wonen - 2" voorziet het plan in de bouw van 36 gestapelde woningen of 20 grondgebonden woningen. Aan de zuidrand van het plangebied langs de Morgenweg voorziet het plan in de bouw van maximaal zes vrijstaande woningen. Het beroep van [appellant sub 1] 3. [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend Uden P2930. Dit perceel is thans onbebouwd. [appellant sub 1] wil hierop twee vrijstaande woningen bouwen. Aan dit perceel zijn in het plan de bestemmingen "Wonen - 3" en "Tuin" en de aanduidingen ‘vrijstaand’ en ‘maximum aantal woningen= 1’ toegekend. [appellant sub 1] betoogt dat het plan voor zijn perceel ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om twee vrijstaande woningen te bouwen. In dat verband voert hij aan dat de raad van Uden voor het plangebied in het beeldkwaliteitsplan 2008 voor de gronden waaraan in het plan de bestemming "Woongebied 1" is toegekend een villapark voor ogen had met in totaal maximaal 17 woonkavels met een oppervlakte van 1.000 tot 2.000 m2 per kavel. In het huidige bestemmingsplan zijn in overeenste In dat verband heeft de raad toegelicht dat het perceel van [appellant sub 1], anders dan de percelen waaraan in het plan de bestemming "Woongebied 1" is toegekend, niet alleen parallel aan de Boekelsedijk is gelegen, maar ook langs de doorgaande route van de Morgenweg. Die ligging is vanwege de ruimtelijke structuur en groene verbinding tussen het buitengebied en het centrum uniek, wat niet het geval is bij de gronden waaraan in het plan de bestemming "Woongebied - 1" is toegekend. Wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ligging van zijn perceel uniek is en daarom niet overeenkomt met de ligging van de gronden met de bestemming "Woongebied 1". Hetgeen hij heeft aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gelijke gevallen ongelijk behandelt. Het betoog faalt. De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] 4. Ter zitting heeft [appellant sub 2] verklaard dat hij met zijn beroep aansluiting heeft gezocht bij de beroepsgronden van [appellant sub 3]. Voorts hebben zij verklaard dat hun beroepsgronden zich beperken tot de gronden zoals die nader zijn beargumenteerd in het door hen ingebrachte deskundigenrapport van SAB en de gronden betreffende strijd met de Verordening 2014. Verordening 2014 5. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met de artikelen 6 en 7 van de Verordening ruimte 2014 (per 15-7-2015) van de Provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014). In dat verband voeren zij aan dat op het zogenoemde vooroverlegformulier betreffende het vooroverleg met de Provincie Brabant van 10 mei 2016 staat dat deze artikelen van toepassing zijn. Voorts voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Verordening 2014 gestelde voorwaarde dat de stedelijke ontwikkeling in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding ‘Integratie stad- land’ of de naaste omgeving, nu wordt voorbijgegaan aan de blauwe landschapsontwikkeling. 5.1. In artikel 6 van de Verordening 2014 is bepaald aan welke voorwaarden een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel moet voldoen. De Afdeling stelt vast dat het plangebied op de bij de Verordening 2014 behorende kaarten niet is aangemerkt als groenblauwe mantel. Gelet hierop is artikel 6 van de Verordening ruimte in dit geval niet van toepassing. De Afdeling stelt voorts vast dat het plangebied op de bij de Verordening 2014 behorende kaarten grotendeels is aangemerkt als "Gemengd landelijk gebied" met de aanduiding ‘Integratie stad-land’. Dit betekent dat naast artikel 7 van de Verordening 2014, ook artikel 9 van toepassing is. 5.2. Artikel 9.1 van de Verordening 2014 luidt: "1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) en artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) kan een bestemmingsplan, ter plaatse van de aanduiding 'Integratie stad-land' voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits: a. deze in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding 'Integratie stad-land' of de naaste omgeving; b. deze geen betrekking heeft op een te ontwikkelen of een uit te breiden middelzwaar- en zwaar bedrijventerrein. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid strekt ertoe dat: a. de stedelijke ontwikkeling aansluit bij het bestaand stedelijk gebied of plaatsvindt in een nieuw cluster van stedelijke bebouwing; b. bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van de stedelijke ontwikkeling rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren in het gebied zelf en in de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen, door deze in de planontwikkeling te betrekken; c. is verzekerd dat de beoogde Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben beoogd te betogen dat het plan in strijd is met artikel 7.7, eerste lid, van de Verordening 2014, overweegt de Afdeling dat in artikel 9.1, derde lid, van de Verordening 2014 is bepaald dat, voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, artikel 2 , vierde lid (zwaarste regiem geldt), niet van toepassing is en het bepaalde in artikel 9.1, tweede lid onder b, voorrang heeft op de beschermingsregels die elders in de verordening zijn opgenomen. Gelet hierop staat de vermeende strijd met artikel 7.7, eerste lid, van de Verordening 2014 niet aan vaststelling van het plan in de weg. Het betoog faalt. 6. Eerst ter zitting hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betoogd dat het plan in strijd met artikel 5.1, zesde lid, van de Verordening 2014 is vastgesteld. 6.1. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer. De Afdeling is van oordeel dat het in dit stadium van de procedure aanvoeren van de hiervoor genoemde nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. Daarbij betrekt de Afdeling dat het gelet op de aard van deze nieuwe beroepsgrond, die voor een volledige en zorgvuldige beoordeling een beschrijving vergt van onder meer de vraag of het plan leidt tot aantasting van ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur door verstoring en zo nodig een beschrijving van mitigerende en compenserende maatregelen, voor de raad en derde belanghebbende niet mogelijk was om daarop ter zitting op passende wijze te reageren. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor [appellant sub 2] en [appellant sub 3] niet mogelijk was deze beroepsgrond eerder in beroep aan te voeren. De Afdeling zal de desbetreffende beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen. Het betoog faalt reeds hierom. Actuele regionale behoefte 7. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld. Zij betwisten dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan de in het plan mogelijk gemaakte woningen en stellen dat de plancapaciteit binnen de gemeente de behoefte aan woningen al overschrijdt. Tevens voeren zij aan dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. Volgens hen bestaat er een overaanbod van duurdere eengezinswoningen en koopwoningen in alle categorieën met uitzondering van dure appartementen en seniorenwoningen. Zij stellen dat de raad daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de vergrijzing van de bevolking. Voorts wijzen zij erop dat de gemeente Uden een forse woningbouwopgave voor zorgwoningen heeft en uit het plan niet blijkt dat daarvoor ruimte bestaat. Voorts wordt het plangebied volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] door de raad ten onrechte aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Ten slotte betogen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in dit verband dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of binnen bestaand stedelijk gebied in Uden andere geschikte locaties bestaan voor woningbouw. 7.1. Artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro luidt: "bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bed 7.3. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte overweegt de Afdeling onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 9, dat het bij de behoefte niet alleen om de kwantitatieve, maar ook om de kwalitatieve behoefte, dat wil zeggen de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling kan gaan. In de plantoelichting staat dat het plan onder meer voorziet in de volgende ontwikkelingen. Zo maakt het plan het mogelijk om maximaal 38 kavels uit te geven die door particulieren zelf zijn te bebouwen en waarvoor een hoge mate van flexibiliteit geldt voor de vormgeving, waardoor ruime mogelijkheden bestaan kwalitatief goed aan te sluiten op de behoefte. Daarnaast biedt het plan voor een deel van het plangebied de mogelijkheid voor projectmatige ontwikkeling. Binnen dat deel van het plangebied kunnen maximaal 71 woningen worden gerealiseerd waaronder woningen in het goedkope, midden en dure segment. Voorts biedt het plan voor een deel van het plangebied de mogelijkheid voor ontwikkeling door een woningbouwcorporatie, waarbij of 36 gestapelde of 20 grondgebonden woningen kunnen worden verwezenlijkt. De raad stelt zich op het standpunt dat daarmee naast de realisatie van koopwoningen een voorname bijdrage in de realisatie van zowel sociale, middel dure als dure huurwoningen wordt geleverd. In het verweerschrift heeft de raad er voorts op gewezen dat voor alle in het plan mogelijk gemaakte koopwoningen inmiddels een reserveringsovereenkomst is gesloten en dat daarnaast een reservelijst bestaat voor het geval kopers alsnog afhaken. Ter zitting heeft de raad voorts toegelicht dat het plan er niet aan in de weg staat dat de in het plan te verwezenlijken woningen worden uitgevoerd als woningen voor senioren of als zorgwoningen. Hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft beschreven dat de in het plan voorziene woningen voorzien in een actuele regionale behoefte. 7.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat de raad het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 10 tot en met 10.3, dat de raad het plangebied terecht heeft aangemerkt als bestaand stedelijk gebied, nu het voorgaande bestemmingsplan, door middel van de uit te werken woonbestemming, al voorzag in een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen en daarbij behorende voorzieningen. Dat het plangebied in de Verordening 2014 grotendeels is aangemerkt als "Integratie stad-land" betekent niet dat het gebied geen bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in de artikelen 1.1.1, eerste lid, onder h, en 3.1.6, tweede lid, van het Bro, is, nu een gebiedsaanduiding in een provinciale verordening daarvoor niet bepalend is. 7.5. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of binnen bestaand stedelijk gebied in Uden andere geschikte locaties bestaan voor woningbouw, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:125, onder 7.3, dat de raad krachtens artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro gehouden is te beschrijven in hoeverre met het plan in de behoefte wordt voorzien binnen bestaand stedelijk gebied, van de desbetreffende regio. De raad is in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro, nu een actuele behoefte bestaat waarin kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied, echter niet gehouden om te beoordelen of ook elders binnen het bestaand stedelijk gebied in de gemeente of de regio in de behoef De raad wijst er voorts op dat in een advies van de brandweer, dat als bijlage bij de toelichting deel uitmaakt van het plan, wordt geadviseerd, in het plan te voorzien in een calamiteitenroute die uitkomt op de Morgenweg, zodat het plangebied niet alleen via de westelijke route kan worden ontvlucht, maar ook via de zuidelijke route van de N264 af. In het plan is naar aanleiding van dat advies op de gronden met de bestemming "Groen" aan de zuidzijde van het plangebied tussen de gronden met de bestemming "Woongebied-1" en de Morgenweg, de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute’ opgenomen, waarmee zodanige calamiteitenroute naar de Morgenweg mogelijk wordt gemaakt. Bij een mogelijk incident op de N264 zullen de bewoners van de in het plan mogelijk gemaakte woningen daarom, anders dan [appellant sub 2] en [appellant sub 3] vrezen, niet alleen kunnen vluchten naar het westen via de Muntmeester, maar ook in de richting van het zuiden naar de Morgenweg. Hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verwezenlijking van het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun vluchtroute in het geval van een incident met gevaarlijke stoffen op de N264. Het betoog faalt. Luchtkwaliteit 9. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat ten onrechte de invloed van de N264 niet is betrokken in het luchtkwaliteitsonderzoek, terwijl de leefbaarheid juist door deze weg al onder druk staat. Het verrichte onderzoek is feitelijk onjuist, nu de Morgenweg geen doorgaande weg is en er veel meer verkeer te verwachten is op de Muntmeester en de Gulden, waar [appellant sub 3] woont. 9.1. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] met deze beroepsgrond hebben beoogd aan te voeren dat ter plaatse van de in het plan voorziene woningen ten gevolge van de invloed van de N264 geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, overweegt de Afdeling dat het [appellant sub 2] en [appellant sub 3] gaat om het belang dat zij gevrijwaard blijven van de gevolgen van de in het plan voorziene woningen voor hun woon- en leefklimaat. Artikel 8:69a van de Awb staat er daarom in zoverre aan in de weg dat het besluit op die grond wordt vernietigd. 9.2. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben betoogd dat de gevolgen van de verwezenlijking van het plan voor de luchtkwaliteit ter plaatse van hun woning onvoldoende zijn onderzocht overweegt de Afdeling als volgt. 9.3. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer luidt: "1. Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk: a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde; b (…); c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; d. (…);" 9.4. In de plantoelichting wordt verwezen naar het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Velmolen Oost Fase III te Uden" van 18 oktober 2016 van Econsultancy. Daarin staat dat de concentraties van de te beoordelen stoffen ruim onder de wettelijke grenswaarden blijven en in de toekomst de concentraties verder zullen afnemen. Hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit r