Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2810
201608057/1/A1. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Halsteren, gemeente Bergen op Zoom, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 september 2016 in zaak nr. 15/5687 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom. Procesverloop Bij besluit van 12 maart 2015 heeft het college aan [partij] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning, het uitvoeren van een werk, het maken van een uitweg en het kappen van 22 bomen op het perceel [locatie A] te Halsteren (hierna: het perceel). Bij besluit van 10 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2017, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, ter zitting gehoord. Overwegingen Inleiding 1. [partij] heeft een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van een woning op het perceel. Bij besluit van 12 maart 2015 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en het maken of veranderen van een uitweg. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Daansbergen - Den Berg" rusten op het perceel de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" en "Waarde - Landschap". Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omgevingsvergunning verleend, omdat de realisatie van twee dakkapellen en een entreeportaal tot gevolg heeft dat de in het bestemmingsplan opgenomen goothoogte van 6,00 m wordt overschreden. [appellant] is woonachtig op het naastgelegen perceel [locatie B] en vreest dat de landschappelijke waarden ten gevolge van de kap van 22 bomen in de omgeving van het perceel verloren zullen gaan en heeft, onder andere, om die reden hoger beroep ingesteld. 2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Vellen en rooien van bomen 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. [appellant] voert hiertoe aan dat het college omgevingsvergunning heeft verleend voor de kap van 22 bomen en dat daarmee het bosachtige karakter van de omgeving op onaanvaardbare wijze wordt verstoord. Volgens [appellant] worden de directe gevolgen van deze kap niet gecompenseerd met de herplant van 22 jonge bomen en zijn alternatieven denkbaar waarbij minder waardevolle bomen hoeven te worden gekapt. Daarnaast betoogt [appellant] dat voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning door een onafhankelijke deskundige een goedgekeurd gedetailleerd beplantingsplan diende te worden opgesteld en dat onvoldoende aandacht is besteed door het college aan de gevolgen van de werkzaamheden voor de 37 resterende bomen wat betreft de grondwaterstand en dat het opstellen van een boomeffect-analyse had dienen te worden verbonden als voorschrift aan de omgevingsvergunning. Voorts wijst [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:471, over het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan "Daansbergen - Den Berg" waarin is overwogen dat ten gevolge van de verplaatsing van het bouwvlak dertien bomen gekapt zullen worden, terwijl de omgev Daarbij is van belang dat [appellant] aan de hand van concrete gegevens niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uit te voeren werkzaamheden gevolgen zullen hebben voor de grondwaterstand. Het betoog faalt. 3.3. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellant] gestelde spiegeling van het bouwplan niet als een zodanig alternatief is aan te merken, nu niet op voorhand vaststaat dat dan aanzienlijk minder bomen gekapt dienen te worden en die aanpassing bovendien, zoals toegelicht ter zitting van de rechtbank door het college, een negatief effect op de verkeersveiligheid van de omgeving tot gevolg heeft. Het betoog faalt in zoverre. Flora- en faunawet 4. Voor zover [appellant] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat de kap van de bomen en de bouw van de woning mogelijk negatieve effecten heeft op de bestaande flora en fauna, te weten eekhoorns, de grote en kleine bonte specht, de zwarte specht en de bosuil, en handelingen worden verricht als bedoeld in het ten tijde van belang geldende artikel 75b van de Flora- en faunawet zonder te beschikken over een ontheffing daartoe overweegt de Afdeling dat dit betoog buiten beschouwing dient te blijven. Hierbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 75b van de Ffw een afzonderlijke toestemming behelst en dat deze toestemming, evenals de in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bedoelde toestemmingen, als een afzonderlijk besluitonderdeel moet worden opgevat. Nu [appellant] over dat besluitonderdeel niet eerder bezwaren naar voren heeft gebracht, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven. Archeologische waarden 5. [appellant] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de op het perceel rustende dubbelbestemming "Waarde - Archeologie". Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven. Slot en conclusie 6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier. w.g. Van der Spoel w.g. Vermeulen voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2017 700. BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 "1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald, c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]." Artikel 2.12 "1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd