Rechtspraak Raad van State 2017-10-18
ECLI:NL:RVS:2017:2809
201606437/1/A1. Datum uitspraak: 18 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Valkenswaard, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2016 in zaak nr. 16/471 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard. Procesverloop Bij besluit van 23 september 2015 heeft het college aan vergunninghouder onder meer een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een rundveestal op het perceel [locatie] te Valkenswaard (hierna: het perceel). Bij besluit van 5 januari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 september 2015 met een aangepaste motivering in stand gelaten. Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college en vergunninghouder hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en vergunninghouder hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2017, waar het college, vertegenwoordigd door H. van Heugten, is verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, gehoord. Overwegingen 1. Bij besluit van 2 november 2011 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van een rundveestal en een mestput op het perceel. Bij uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1553, is deze vergunning onherroepelijk geworden. Het desbetreffende bouwplan is niet gerealiseerd. Op 5 februari 2015 heeft vergunninghouder vergunning gevraagd voor een gewijzigd bouwplan - het betreft wijzigingen aan de inrichting en de indeling van de stal - welke vergunning op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef, onder a en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bij besluit van 23 september 2015 is verleend. De stal is overeenkomstig deze vergunning gebouwd. [appellant] woont tegenover de stal en is het niet eens met de vergunningverlening. 2. Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, […]." Artikel 2.12 luidt: "1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, […]." 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning rekening had moeten houden met artikel 34 van de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening Ruimte 2014), op grond waarvan een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen alleen is toegestaan indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. [appellant] stelt dat de omgevingsvergunning ziet op een toename van de oppervlakte van de bestaande gebouwen, omdat de bij besluit van 2 november 2011 vergunde mestkelder geen gebouw is. De mestkelder is niet toegankelijk voor personen omdat de roosterbalken alleen kunnen worden verwijderd met een machine. Bovendien is door het gebruik van roosters de mestkelder niet overdekt. Ten slotte is de mestkelder niet onlosmakelijk verbonden met de stal, aldus [appellant].