Rechtspraak Raad van State 2017-10-11
ECLI:NL:RVS:2017:2761
201606074/1/A1. Datum uitspraak: 11 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Breda, appellanten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juni 2016 in zaak nr. 16/604 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Breda. Procesverloop Bij besluit van 17 augustus 2015 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dakterras op het perceel aan de [locatie 1] te Breda (hierna: het perceel). Bij besluit van 21 december 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2015 vernietigd en het college gelast om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 4 oktober 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering, opnieuw ongegrond verklaard. [appellant] heeft tegen dit besluit beroepsgronden ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.J.F. Meeuwis en M. Tebbe, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [vergunninghouder] is eigenaar van, en woont in het pand op het perceel. [appellant] is eigenaar van, en woont in het pand op het naastgelegen perceel aan de [locatie 2] te Breda. [appellant] vreest dat de beoogde realisering van een dakterras, zijn woon- en leefomgeving zal aantasten. 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend hoe hoog het bouwplan is. Hij voert daartoe aan dat het niet duidelijk is hoe hoog het bijbehorend bouwwerk is waarop het dakterras is voorzien. 2.1. Bij besluit van 15 februari 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning op het perceel. Deze - in rechte onaantastbare - vergunning voorziet in de bouw van een aanbouw met een plat dak en een goothoogte van 3,45 m. Het bouwplan voorziet in het realiseren van een dakterras op dit platte dak, onder meer door daarop een scherm met ondoorzichtig glas te plaatsen (hierna: het privacyscherm). Volgens de bouwtekening die [vergunninghouder] op 27 oktober 2015 aan het college heeft gezonden en die ten grondslag is gelegd aan het besluit op bezwaar, is het privacyscherm gesitueerd op de erfgrens en heeft een hoogte van 1,7 m. Aldus is de rechtbank uitgegaan van de juiste hoogte. Het betoog faalt. Toegepaste regelgeving 3. Niet in geschil is dat het beoogde dakterras in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad 2013". Gelet daarop heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid aanhef en onder a, onderdeel 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en vierde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en artikel 3 van de beleidsnotitie "Beleidsregels voor het afwijken van het bestemmingsplan Breda 2015" (hierna: de beleidsregel) omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan. 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat er een mogelijkheid was om vergunning te verlenen met toepassing van de beleidsregel. Relevante regelgeving 4.1. Artikel 4, aanhef en vierde lid, van Bijlage II bij het Bor luidt: "Voor verlening van een Immers, voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 3 van de beleidsregel dient en aan de in het eerste lid neergelegde voorwaarde en aan de in het derde lid neergelegde voorwaarden te zijn voldaan. Het college heeft ter zitting ook erkend dat de beleidsregels aldus dienen te worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank vormt slechts artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de beleidsregels een geldige grondslag voor afwijking van de eis die artikel 3, eerste lid, stelt. In dit kader overweegt de rechtbank dat artikel 10, eerste lid, eerste volzin van de beleidsregels op gespannen voet staat met de plicht tot naleving van een beleidsregel zoals verwoord in artikel 4:84 van de Awb. Het college heeft in het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht besteed aan de strijd van het gewraakte bouwplan met artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, en daarmee dat het college heeft gehandeld in strijd met respectievelijk artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft het college de strijd van het gewraakte bouwplan met artikel 3, eerste lid, van de beleidsregels wel gesignaleerd. Het is echter bij deze constatering gebleven. Niet is aangegeven op grond van welke beleidsregel of belangenafweging desondanks een omgevingsvergunning ten behoeve van het privacyscherm kan worden verleend. Met name is niet duidelijk of en op welke wijze toepassing is gegeven aan artikel 10, eerste lid, tweede volzin, van de beleidsregels. Daarmee heeft het college - naar het oordeel van de rechtbank - miskend dat slechts dit artikel een geldige grondslag vormt voor afwijking van de regel dat een wand van een bijbehorend bouwwerk maximaal 5 m mag bedragen. Voor afwijking van de beleidsregels met toepassing van artikel 10 is in elk geval een positief stedenbouwkundig advies vereist. Een dergelijk advies is niet beschikbaar. In dit kader overweegt de rechtbank dat het - zeer beknopte - welstandsadvies van 9 juni 2015 niet als zo’n stedenbouwkundig advies kan worden aangemerkt, en overigens dat de welstandscommissie zich niet over het bouwplan van 27 oktober 2015 heeft gebogen." De beoordeling van het betoog 4.3. Gelet op artikel 3 van de beleidsregel en de daarop gegeven toelichting heeft dit artikel uitsluitend betrekking op een situatie waarop artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor van toepassing is. Dat wil zeggen op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom. Volgens de toelichting gaat in voorkomende gevallen de uitbreiding van de woning gepaard met de realisatie van een dakterras op de uitbreiding. Naar het oordeel van de Afdeling moet hieruit worden afgeleid dat alleen in die gevallen waarin het bouwplan voorziet in het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom met een dakterras, artikel 3 van de beleidsregel van toepassing is. Deze situatie doet zich hier evenwel niet voor aangezien het bouwplan uitsluitend voorziet in het realiseren van een dakterras. Hierop is artikel 4, aanhef en vierde lid, van Bijlage II van het Bor van toepassing. In de beleidsregels onder het kopje "reikwijdte beleidsregels" en in de toelichting op artikel 9 van de beleidsregels staat dat ten aanzien van dergelijke bouwplannen geen beleidsregels worden gesteld, maar dat deze bouwplannen binnen de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II Bor zullen worden beoordeeld, waarbij deze verzoeken in ieder geval zullen worden getoetst aan relevante wet- en regelgeving en vastgesteld beleid. Aldus heeft de rechtbank niet onderkend dat de beleidsregel geen toepassing vindt in het onderhavige geval. Dat betekent dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de beleidsregel. Het besluit op bezwaar b