Rechtspraak Raad van State 2017-10-11
ECLI:NL:RVS:2017:2747
201606914/1/A3. Datum uitspraak: 11 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Rederij Friendship v.o.f. (hierna: Friendship), gevestigd te Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2016 in zaak nr. 15/4835 in het geding tussen: v.o.f. T&T Boten, gevestigd te Amsterdam, en Friendship en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 26 november 2014 heeft het college geweigerd de vergunning voor de exploitatie van het vaartuig 22 als passagiersvaartuig, over te schrijven naar het vaartuig Oceans. Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het college het door T&T Boten en Friendship daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 augustus 2016 heeft de rechtbank het door T&T Boten en Friendship daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft Friendship hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Friendship heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 augustus 2017, waar Friendship, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, mr. K. van Driel en mr. B. de Visser, zijn verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. De relevante wettelijke bepalingen die ten tijde van belang golden, zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. Op 16 augustus 2013 heeft het college een verzoek ontvangen om de aan T&T Boten verleende vergunning voor de exploitatie van het vaartuig 22 als passagiersvaartuig tijdelijk over te schrijven naar het vaartuig Oceans van Friendship. Bij besluit van 14 april 2014 heeft het college dit verzoek voor één jaar ingewilligd. Vanwege de datum van indiening heeft het college het verzoek beoordeeld op grond van de beleidsregels die waren neergelegd in de toen geldende Regeling Passagiersvervoer te water Amsterdam 2007 (hierna: RPA 2007), die met terugwerkende kracht tot 3 september 2013 is vervangen door de Regeling Passagiersvaart Amsterdam 2013 (hierna: RPA 2013). De RPA 2007 stond vervanging van een vaartuig door een ander vaartuig uitsluitend toe, indien dat tot dezelfde categorie behoorde en aan de vergunningsvoorwaarden van de desbetreffende vergunningsronde voldeed. Oceans behoorde volgens de in de RPA 2007 neergelegde indeling tot dezelfde categorie als vaartuig 22 en voldeed aan de betrokken vergunningsvoorwaarden. Op 24 juni 2014 heeft het college een verzoek ontvangen om de vergunning permanent over te schrijven op naam van Friendship voor het vaartuig Oceans. Bij het besluit van 26 november 2014 heeft het college de vergunning op naam van Friendship gesteld, maar het verzoek om overschrijving naar Oceans afgewezen op grond van de RPA 2013. Door de vaststelling van de RPA 2013 is de categorie-indeling van de RPA 2007 vervangen door een indeling in segmenten. Volgens artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA 2013 werkt het college in beginsel slechts mee aan een verzoek om permanente vervanging indien de vaartuigen tot hetzelfde segment behoren en het vervangende vaartuig niet groter is dan het vergunde vaartuig en aan dezelfde milieu- en andere eisen voldoet die op grond van de RPA 2013 en vergunningsvoorschriften van toepassing zijn. Volgens de segmentindeling behoort vaartuig 22 tot het segment "Bemand open", waarbij een maximaal toegestane maatvoering van 10,00 m lang en 3,15 m breed geldt. Vaartuig 22 is een open vaartuig met een lengte van 10,00 m en een breedte van 2,60 m. Oceans is een open vaartuig met een lengte van 9,70 m en een breedte van 3,30 m. Oceans is te breed voor het segment waaronder vaartuig 22 valt en behoort evenmin tot een ander segment. De Afdeling gaat ervan uit dat het verzoek om permanente overschrijving neerkomt op een aanvraag om wijziging van een vergunning op gron Indeling van Oceans was niet aan de orde, nu dat vaartuig niet voldeed aan de criteria van een segment. Door uitdrukkelijk te overwegen dat vaartuig 22 in een segment valt en Oceans niet, is de rechtbank voldoende ingegaan op de desbetreffende beroepsgrond. 4.2. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan overeenkomstig een beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zodanige omstandigheden doen zich in dit geval voor. Niet in geschil is dat het verzoek om permanente overschrijving volgens de voorheen geldende RPA 2007 zou moeten worden ingewilligd. Toen de RPA 2007 nog van toepassing was en de inhoud van de RPA 2013 nog niet bekend, is verzocht om de aan T&T Boten verleende vergunning voor de exploitatie van vaartuig 22 als passagiersvaartuig tijdelijk over te schrijven naar het vaartuig Oceans van Friendship. Ten tijde van het besluit op dat verzoek was de RPA 2013 inmiddels bekendgemaakt en in werking getreden. Hoewel het verzoek volgens artikel 6.1, tiende lid, van de RPA 2013 op grond van de RPA 2013 had moeten worden beoordeeld, heeft het college gelet op de datum van indiening aanleiding gezien om het verzoek op grond van de RPA 2007 te beoordelen en dus in te willigen. Niet bestreden is dat het verzoek om permanente overschrijving voortbouwt op het verzoek om tijdelijke overschrijving. Zoals Friendship aan de hand van stukken heeft toegelicht, heeft zij eind 2012 met T&T Boten afspraken gemaakt over het overnemen van de voor vaartuig 22 verleende vergunning en is Oceans in de eerste helft van 2013 omgebouwd tot passagiersvaartuig. Door de verbouwingskosten was er onvoldoende geld om de exploitatievergunning over te nemen. Daarom heeft Friendship met T&T Boten afgesproken dat T&T Boten de exploitatievergunning eerst tijdelijk aan Friendship beschikbaar zou stellen, zodat Friendship door het reeds exploiteren van Oceans als passagiersvaartuig inkomsten zou kunnen verwerven waarmee de overname van de vergunning zou kunnen worden betaald, zo heeft Friendship toegelicht. Gezien de door haar gedane investeringen, heeft Friendship een groot belang bij inwilliging van het verzoek om permanente overschrijving. Niet valt in te zien dat het college een prevalerend belang bij afwijzing van het verzoek heeft. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college desgevraagd geen gevallen heeft kunnen noemen die vergelijkbaar zijn met dit geval of de gevallen die tot de uitspraken van 7 augustus 2015 hebben geleid. Derhalve is niet aannemelijk dat het door het college gestelde gevaar van precedentwerking in deze overgangsfase van de RPA 2007 naar de RPA 2013 zich voordoet. Gelet hierop, op het belang van Friendship en op de relatie met de op grond van de RPA 2007 toegestane tijdelijke overschrijving, zijn er in dit geval bijzondere omstandigheden die meebrengen dat afwijzing van het verzoek om permanente overschrijving onevenredig is in verhouding tot de met de RPA 2013 te dienen doelen. Dit betekent dat het college overeenkomstig artikel 4:84 van de Awb had moeten afwijken van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA 2013. 4.3. Gezien het voorgaande, is de rechtbank er ten onrechte van uitgegaan dat het college in dit geval artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA 2013 mocht toepassen. Het betoog slaagt. Segmentindeling RPA 2013 5. Friendship betoogt voorts dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de in de RPA 2013 neergelegde indeling in segmenten ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen zij in beroep over de rechtmatigheid daarvan heeft aangevoerd. Aangezien echter het verzoek om permanente overschrijving niet op grond van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de RPA 2013 mocht worden afgewezen, behoeft de rechtmatigheid van de in die bepaling bedoelde segmentindeling geen bespreking. Slotsom 6. Het h