Rechtspraak Raad van State 2017-10-04
ECLI:NL:RVS:2017:2671
201607378/1/A3. Datum uitspraak: 4 oktober 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 augustus 2016 in zaak nr. 16/1060 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college de aan [appellant] verleende onttrekkingsvergunning van 3 december 2012 voor het pand [locatie] te Groningen ingetrokken. Bij besluit van 20 januari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Post, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.C.M. Hofman-Aupers, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De Huisvestingswet (oud) is op 1 januari 2015 vervangen door de Huisvestingswet 2014. De relevante bepalingen uit de Huisvestingswet (oud), de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening 2015 (hierna: Verordening) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. 2. Op 3 december 2012 heeft het college voor het pand [locatie] te Groningen een onttrekkingsvergunning verleend om zelfstandige woonruimte ten behoeve van kamerverhuur in onzelfstandige woonruimten om te zetten. Aan deze vergunning zijn geen voorwaarden of voorschriften verbonden. [appellant] is eigenaar van dit pand. In 2013 en 2015 zijn over het pand diverse meldingen gedaan bij het Meldpunt Overlast en Zorg en de politie. Daarnaast heeft de politie in 2015 ter plaatse overlast vanuit het pand geconstateerd. Er hebben arrestaties plaatsgevonden en er is geluidsapparatuur in beslag genomen. Bij brief van 31 oktober 2013 heeft het college [appellant] op de hoogte gesteld van de gemelde overlast en hem verzocht maatregelen te nemen om verdere overlast in de toekomst te voorkomen. Na de meldingen in 2013 zijn door [appellant] maatregelen getroffen, onder meer door het voeren van gerechtelijke procedures. Op 11 mei 2015 heeft het college een soortgelijke brief aan [appellant] gestuurd. Op 11 juni 2015 heeft [appellant] in een gesprek met het college en de politie medegedeeld van de overlast vanuit het pand op de hoogte te zijn. Ook weet hij wie de meeste huidige overlast veroorzaakt en wordt hij door een buurman van de overlast op de hoogte gehouden. 3. Bij besluit van 5 augustus 2015 is het college op grond van artikel 23a van de Verordening overgegaan tot intrekking van de aan [appellant] verleende onttrekkingsvergunning van 3 december 2012. Bij de beoordeling of sprake is van overlast die het intrekken van de vergunning rechtvaardigt, hanteert het college de "Beleidsregels voor het intrekken van een onttrekkingsvergunning". Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat zich een situatie voordoet waarop deze beleidsregels doelen. In bezwaar heeft het college het intrekkingsbesluit gehandhaafd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het reeds op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 bevoegd was de vergunning in te trekken. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van een onaanvaardbare inbreuk op de leefbaarheid in de omgeving. Hoger beroep [appellant] 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de intrekking van de onttrekkingsvergunning een rechtsgeldige juridische grondslag ontbeert. Daartoe voert hij aan dat in de Verordening geen concrete voorwaarden of voorschriften zijn benoemd die het college aan een te verlenen onttrekkingsvergunning zou mogen verbinden. Ook zijn aa De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. 6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 augustus 2016 in zaak nr. 16/1060; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groningen van 20 januari 2016, kenmerk 5479258; V. herroept het besluit van 5 augustus 2015, kenmerk K11-201504102/020; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.036,51 (zegge: zegge: tweeduizendzesendertig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 419,00 (zegge: vierhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier. w.g. Polak w.g. Ley-Nell voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017 597. BIJLAGE Huisvestingswet (oud) Artikel 30 1. Het is verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders: (…); c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten; (…). Artikel 32 De gemeenteraad bepaalt in de huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden. Artikel 38 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken, indien: a. niet binnen een jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging of omzetting, onderscheidenlijk tot overschrijving in de openbare registers van de akte van splitsing in appartementsrechten, bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of lidmaatschapsrechten; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren, of c. de voorwaarden en voorschriften, bedoeld in artikel 32, niet worden nageleefd. 2. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning voorts intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3. Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd. Huisvestingswet 2014 Artikel 21 Het is verbo