Rechtspraak Raad van State 2017-04-19
ECLI:NL:RVS:2017:1060
Bestuursrecht
201603559/1/A1. Datum uitspraak: 19 april 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 april 2016 in zaak nr. 15/2245 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen. Bij besluit van 10 december 2014 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen tot een bedrag van € 17.500,00. Bij besluit van 5 juni 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.LJ. Reijnen, advocaat te Geleen, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Avdić, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij afzonderlijke besluiten van 26 juni 2012 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van een nieuw dak, het verhogen van de muren, het aanbrengen van nieuwe vensters en wijzigen van het gebruik als bergzolder naar een zelfstandige woonruimte op het perceel [locatie 1] te Geleen en geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een dakkapel en het wijzigen van het interne gebruik van de zolder naar een zelfstandige woonruimte op het perceel [locatie 2]. 2. Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens gelast de zonder daartoe benodigde vergunning geplaatste verdieping op het gebouw op het perceel aan de [locatie 1] te verwijderen en verwijderd te houden. Bij afzonderlijk besluit van 1 augustus 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 7.500,00 gelast de zonder daartoe benodigde vergunning gerealiseerde uitbouw op de tweede verdieping van een gebouw op het perceel [locatie 2] te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft het college de lasten onder dwangsom opgeschort totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan op het door [appellant] tegen de besluiten van 26 juni 2012 ingestelde beroep. Indien de uitspraak van de bestuursrechter negatief is voor [appellant] zal de begunstigingstermijn weer beginnen te lopen vanaf de verzenddatum van de uitspraak, aldus het besluit. Bij afzonderlijke uitspraken van 2 mei 2014 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 26 juni 2012 ongegrond verklaard. 3. Het college heeft zich in het besluit van 10 december 2014 op het standpunt gesteld dat [appellant] niet binnen de begunstigingstermijn aan de beide lasten heeft voldaan. Het heeft besloten over te gaan tot invordering van de dwangsommen van in totaal € 17.500,00. [appellant] is het met de invordering niet eens. Behandeling van het hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van verjaring van de bevoegdheid van het college om tot invordering over te gaan. Hij voert daartoe aan dat de invorderingsbevoegdheid is verjaard door verloop van een jaar na 1 augustus 2012 dan wel 30 augustus 2012, dus op 1 augustus 2013, dan wel op 30 augustus 2013. Indien rekening moet worden gehouden met de aan de last verbonden begunstigingstermijn van zestien weken, is de invorderingsbevoegdheid volgens [appellant] op 21 december 2013 verjaard. Hij voert verder aan dat de opschorting op 30 augustus 2012 niet is aan te merken als opschorting in de zin van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de lengte van de aan de last verbonden begunstigingstermijn in strijd is met artikel 5:32a van de Awb. 4.1. Artikel 4:104 van de Awb luidt: "1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. 2. Na voltooiing van de verjaring kan het bestuursorgaan zijn bevoegdheden tot aanmaning en verrekening en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen." Artikel 5:35 luidt: "In afwijking van artikel 4:104 verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd." 4.2. De dwangsommen die in deze procedure door het college worden ingevorderd, zijn van rechtswege verbeurd op het moment dat de in de besluiten van 1 augustus 2012 opgenomen begunstigingstermijn van zestien weken na de verzenddatum van de besluiten is geëindigd. Deze termijn is aangevangen op 7 augustus 2012, de dag na de verzenddatum van het besluit. Bij besluit van 30 augustus 2012 is de termijn opgeschort totdat uitspraak is gedaan op de beroepen van [appellant] tegen de besluiten van het college van 26 juni 2012. De begunstigingstermijn is, zo volgt uit het besluit van 30 augustus 2012, weer gaan lopen op de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, te weten op 2 mei 2014. Het betoog van [appellant] dat de begunstigingstermijn eindigde in 2012 en de verjaringstermijn in 2013 kan dan ook niet slagen. 4.3. Wat betreft het betoog van [appellant] dat het besluit van 30 augustus 2012 geen besluit is in de zin van artikel 5:34, eerste lid, van de Awb en een begunstigingstermijn van bijna twee jaar in strijd is met artikel 5:32a van de Awb geldt dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de invorderingsbesluiten aan de orde is. De lengte van de begunstigingstermijn en de opschorting daarvan kunnen in deze procedure niet aan de orde worden gesteld. 5. Wat betreft het betoog van [appellant] ter zitting dat hij niet wist tot wanneer de begunstigingstermijn was opgeschort en hij van het college had verwacht dat het hem zou waarschuwen zodra de termijn weer zou gaan lopen, overweegt de Afdeling dat in het besluit van 30 augustus 2012 duidelijk is vermeld dat de termijn was opgeschort totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan op het door [appellant] tegen de besluiten van 26 juni 2012 ingestelde beroep en daarna weer zou gaan lopen. Er bestond voor het college geen verplichting om bij het weer gaan lopen van de begunstigingstermijn [appellant] daarop nogmaals te wijzen. 6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de betalingsregeling die hij heeft getroffen met het college de verjaring heeft gestuit. Hij voert daartoe ten eerste aan dat geen sprake is van een bestuursrechtelijke geldschuld, zodat titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is, maar Boek 3, titel 11 van het Burgerlijk Wetboek. Hij voert verder aan dat de betalingsregeling is getroffen nadat de bevoegdheid tot invordering in 2013 was verjaard. Hij voert tot slot aan dat hij een betalingsregeling heeft getroffen, omdat hij alleen op die manier verdere invorderingsmaatregelen kon voorkomen. Er is dus sprake van een afgedwongen regeling, aldus [appellant], en geen erkenning van schuld. 6.1. Artikel 4:85, eerste lid, van de Awb - dat is opgenomen in titel 4.4 van de Awb - luidt: "Deze titel is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit: a. een wettelijk voorschrift dat een verplichting tot betaling uitsluitend aan of door een bestuursorgaan regelt, of b. een besluit dat vatbaar is voor bezwaar of beroep." Artikel 4:94, eerste lid, luidt: "Het bestuursorgaan kan de wederpartij uitstel van betaling verlenen." Het vierde lid luidt: "Het bestuursorgaan kan aan de beschikking tot uitstel van betaling voorschriften verbinden." Artikel 4:105 luidt "1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing." 2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier. w.g. Koeman w.g. Pieters lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017 473. 8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 4_110 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_111 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_94 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_105 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_85 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 4_104 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 5_34 — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 5_32a — Algemene wet bestuursrecht
- Artikel 5_35 — Algemene wet bestuursrecht