Rechtspraak
Raad van State
2016-09-27
ECLI:NL:RVS:2016:2665
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,547 tokens
Inleiding
201508917/1/V2.
Datum uitspraak: 27 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 november 2015 in zaken nrs. 15/6500, 15/6501 en 15/6504 in het geding tussen:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen, en [vreemdeling 3], (hierna tezamen: de vreemdelingen)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 3 maart 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, de aan de vreemdelingen verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, alsmede ambtshalve geweigerd om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting van vreemdeling 2 achterwege blijft. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 10 november 2015 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard en die besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdelingen, vertegenwoordig door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, hebben een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Vreemdeling 2 is de echtgenoot van vreemdeling 1. Vreemdeling 3 is het - thans - meerderjarige kind van vreemdeling 1 en vreemdeling 2. Niet in geschil is dat de vreemdelingen de Afghaanse nationaliteit hebben. Aan de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat vreemdeling 1 door de nareis van vreemdeling 2 in elk geval niet meer kan worden aangemerkt als behorend tot de specifieke groep van alleenstaande vrouwen uit Afghanistan als bedoeld in paragraaf C24/1.3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zodat de rechtsgrond voor verlening is komen te vervallen. De vergunningen van de andere vreemdelingen zijn afhankelijk van de vergunning van vreemdeling 1.
2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor vreemdeling 1 onvoldoende inzichtelijk was op welke rechtsgrond aan haar destijds een vergunning is verleend.
2.1. In het besluit van 29 mei 2012, waarbij vreemdeling 1 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, staat dat deze vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Hierin staat, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet dat deze vergunning is verleend, omdat vreemdeling 1 behoort tot de specifieke groep van alleenstaande vrouwen uit Afghanistan als bedoeld in paragraaf C24/1.3.2.3 van de Vc 2000. Dit laat echter onverlet dat, gelet op de wijze waarop de eerdere procedure van vreemdeling 1 is verlopen, voor haar voldoende inzichtelijk was, dan wel had kunnen en moeten zijn, op welke rechtsgrond aan haar destijds een vergunning is verleend. Zoals de staatssecretaris heeft opgemerkt, is, alvorens hij aan vreemdeling 1 een vergunning heeft verleend, in het aanvullend gehoor van 27 april 2012 uitvoerig aan de orde geweest of zij een alleenstaande vrouw is. Dit is gebeurd naar aanleiding van de vernietiging van een eerder besluit door de voorzieningenrechter van de rechtbank bij uitspraak van 9 maart 2012, omdat de staatssecretaris zijn standpunt over paragraaf C24/1.3.2.3 van de Vc 2000 naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd.
2.2. De eerste grief slaagt.
3. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de staatssecretaris in zijn tweede grief heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 3 maart 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4. De vreemdelingen hebben aangevoerd dat de intrekking van de verleende vergunningen in strijd is het met het vertrouwensbeginsel. Zij hebben erop gewezen dat de staatssecretaris ten tijde van de besluiten van 22 juli 2013, waarbij aan vreemdeling 2 en vreemdeling 3 verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd zijn verleend, al ervan op de hoogte was dat vreemdeling 1 door de nareis van vreemdeling 2, die op 27 mei 2013 Nederland is ingereisd, niet meer kon worden aangemerkt als alleenstaande vrouw. Door het verlenen van die vergunningen heeft de staatssecretaris het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de vergunningen niet meer zouden worden ingetrokken. Ook wijzen vreemdeling 2 en vreemdeling 3 erop dat zij op 18 juli 2013 verklaringen hebben getekend, waarin staat dat zij afzien van het nader gehoor, onder de voorwaarde dat zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
4.1. De enkele omstandigheid dat de staatssecretaris de vergunning van vreemdeling 1 niet heeft ingetrokken op het moment dat vreemdeling 2 is nagereisd, leidt, evenals de verlening van de vergunningen aan vreemdeling 2 en vreemdeling 3, niet tot de conclusie dat de intrekking van de verleende vergunningen in deze procedure in strijd is het met het vertrouwensbeginsel. Het gaat om naar hun aard tijdelijke vergunningen. De staatssecretaris heeft niet uitdrukkelijk verklaard dat de nareis van vreemdeling 2 geen gevolgen zou hebben voor de aan vreemdeling 1 verleende vergunning, zodat van een concrete, ondubbelzinnige toezegging door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend geen sprake is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1808). Bovendien heeft de staatssecretaris toegelicht, dat hij de vergunningen aan vreemdeling 2 en vreemdeling 3 slechts heeft verleend, omdat vreemdeling 1 op dat moment nog een vergunning had. De desgevraagd door vreemdeling 2 en vreemdeling 3 ondertekende verklaringen geven er evenmin blijk van dat sprake is van een concrete, ondubbelzinnige toezegging in vorenbedoelde zin. De uit die verklaringen af te leiden toezegging van de staatssecretaris dat die vreemdelingen daarna in het bezit zouden worden gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan niet worden gelijkgesteld aan de toezegging dat die - naar hun aard tijdelijke - vergunningen nimmer zouden worden ingetrokken.
5. Vreemdeling 2 en vreemdeling 3 hebben verder aangevoerd dat de staatssecretaris hun ten onrechte geen gelegenheid heeft geboden om, in aanvulling op vreemdeling 1, te verklaren over de ontvoering van hun dochter respectievelijk zus en de daarmee samenhangende problemen die zij hebben ondervonden in Afghanistan.
5.1. De staatssecretaris heeft de door vreemdeling 1 afgelegde verklaringen over de ontvoering van haar dochter en de daarmee samenhangende problemen in Afghanistan in de eerdere procedure ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft de Afdeling de onder 2.1. genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2012 daarover bevestigd. Daarmee is in rechte komen vast te staan dat vreemdeling 1 op basis van voormeld asielmotief niet voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking kwam. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eventuele verklaringen van vreemdeling 2 en vreemdeling 3 in deze intrekkingsprocedure over de ontvoering van hun dochter respectievelijk zus en de daarmee samenhangende problemen die zij hebben ondervonden hoe dan ook niet zouden maken dat de gestelde problemen alsnog geloofwaardig worden. De staatssecretaris heeft daarbij hetgeen hij aan vreemdeling 1 over haar verklaringen over de ontvoering van haar dochter heeft tegengeworpen, betrokken, waaronder de summiere en vage verklaringen van vreemdeling 1 over de inhoud van - naar haar eigen zeggen - door haar zelf gevoerde gesprekken.
6. De vreemdelingen hebben voorts aangevoerd dat de staatssecretaris niet heeft onderkend dat schoolgaande kinderen en vrouwen een reëel risico lopen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
6.1. Uit de door de vreemdelingen genoemde passages uit het rapport 'Country Information and Guidance, Afghanistan: persons supporting or perceived to support the government and/or international forces' van het UK Home Office van februari 2015, blijkt dat schoolgaande kinderen en vrouwen bij diverse geweldsincidenten betrokken waren. Die passages bieden echter, anders dan de vreemdelingen aanvoeren, geen grond voor het oordeel dat schoolgaande kinderen of vrouwen dienen te worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandeling en dat zij reeds wegens het behoren tot deze groep aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
7. Vreemdeling 3 heeft aangevoerd dat de staatssecretaris aan hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had moeten verlenen, omdat hij door zijn leeftijd het risico loopt om ingezet te worden voor de strijd in Afghanistan.
7.1.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 november 2015 in zaken nrs. 15/6500, 15/6501 en 15/6504;
III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Van Loon
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2016
284-795.