Rechtspraak
Raad van State
2016-07-06
ECLI:NL:RVS:2016:1998
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,660 tokens
Inleiding
201600050/1/V1.
Datum uitspraak: 6 juli 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 december 2015 in zaak nr. 15/10706 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om wijziging van de beperking van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
Bij besluit van 21 mei 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 4 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.I. Vennik, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Nepalese nationaliteit en beoogt met zijn aanvraag verblijf bij zijn partner (hierna: referente). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit.
De staatssecretaris heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat referente duurzaam beschikt over middelen van bestaan.
2. De vreemdeling klaagt in de enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris, door de aanvraag af te wijzen alleen omdat de inkomsten van referente niet nog een jaar beschikbaar zijn, artikel 7 van Richtlijn 2003/86/EG (PB 2003 L 251; hierna: de Gezinsherenigingsrichtlijn) heeft geschonden. Hij voert daartoe aan dat uit de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtsnoeren) volgt dat in geval van een tijdelijk arbeidscontract alle relevante omstandigheden moeten worden betrokken. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat referente als net afgestudeerde gymlerares aan het begin van haar loopbaan staat en te veel nadruk heeft gelegd op haar beperkte arbeidsverleden. De vreemdeling voert voorts aan dat in het onderwijs een vast arbeidscontract steeds minder gebruikelijk is, dat referente uitzicht heeft op een vast dienstverband bij goed functioneren, dat uit de verlenging van dat tijdelijke dienstverband volgt dat zij daadwerkelijk goed functioneert en dat in het onderwijs weinig verloop van docenten is, gezien de aard van het werk.
2.1. Volgens artikel 3, derde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, is deze richtlijn niet van toepassing op gezinsleden van een burger van de Unie.
Volgens artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, kan de betrokken lidstaat bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de persoon die het verzoek heeft ingediend verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, kan de staatssecretaris een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afwijzen indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ingevolge artikel 3.75, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) zijn de in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan in ieder geval duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (hierna: het duurzaamheidsvereiste).
2.2. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4650, volgt dat, indien de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van gezinshereniging geen onderscheid maakt tussen enerzijds een zuiver interne situatie waarin de feiten van het hoofdgeding buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen, en anderzijds een door het Unierecht beheerste situatie, deze situaties in zoverre gelijk worden behandeld dat de desbetreffende Unierechtelijke bepalingen rechtstreeks en onvoorwaardelijk van toepassing zijn op de interne situatie.
2.3. Bij Besluit van 24 juli 2010 (Stb. 2010, 307) is artikel 3.75 van het Vb 2000 gewijzigd. Dit artikel maakt geen onderscheid tussen enerzijds een zuiver interne situatie en anderzijds een door het Unierecht beheerste situatie. Evenmin kan uit de nota van toelichting bij het Besluit worden afgeleid dat een dergelijk onderscheid is gemaakt. Deze lezing wordt bevestigd in de brief van 29 oktober 2014 van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 2014-2015, 30 573, nr. 127). Volgens die brief zijn de toelatingsvoorwaarden voor gezinsleden van Nederlanders die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer inhoudelijk identiek aan de toelatingsvoorwaarden voor gezinshereniging met een derdelander en is van een achterstelling van Nederlanders dan ook geen sprake.
2.4. Nu de wetgever heeft bedoeld te verzekeren dat gezinshereniging met een Nederlander als referent, een zuiver interne situatie, en gezinshereniging met een derdelander als referent, een door het Unierecht beheerste situatie, gelijk worden behandeld, is artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn eveneens van overeenkomstige toepassing voor zover het gaat om de toepassing van het duurzaamheidsvereiste.
2.5. In punt 43 van het arrest van het Hof van Justitie van 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:285 (hierna: het arrest Khachab), is overwogen dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ingevolge artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden beoordeeld (arresten van 4 maart 2010, Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117, punt 48 en van 9 juli 2015, K. en A., ECLI:EU:C:2015:453, punt 60) en dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging, een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken (arrest O. e.a., ECLI:EU:C:2012:776, punt 81).
2.6. In de richtsnoeren, paragraaf 4.4, voor zover thans van belang, is het volgende vermeld:
"De stabiliteit en regelmatigheid van de inkomsten moeten worden beoordeeld op basis van een prognose dat de inkomsten redelijkerwijs in de nabije toekomst beschikbaar zijn, zodat de indiener van het verzoek geen beroep hoeft te doen op het stelsel voor sociale bijstand. Voor dit doel kan de indiener bewijs leveren dat een bepaalde hoeveelheid inkomsten beschikbaar is en naar verwachting met regelmaat beschikbaar zal blijven. Over het algemeen moet een permanent arbeidscontract daarom worden beschouwd als voldoende bewijs.
De lidstaten worden aangespoord om rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt, aangezien permanente arbeidscontracten wellicht steeds minder gebruikelijk worden, zeker aan het begin van een arbeidsrelatie. Als een indiener bewijs van een ander type arbeidscontract verstrekt, bijvoorbeeld een tijdelijk contract dat kan worden verlengd, worden de lidstaten aangespoord het verzoek niet automatisch vanwege de aard van het contract af te wijzen. In dergelijke gevallen is een beoordeling van alle relevante omstandigheden van een specifiek geval noodzakelijk.
In bepaalde sectoren kunnen tijdelijke contracten gangbaar zijn, zoals in sommige creatieve, IT- en mediasectoren, maar zijn de inkomsten niettemin stabiel en regelmatig beschikbaar. Andere factoren die relevant zijn voor het beoordelen van de beschikbaarheid van inkomsten zijn bijvoorbeeld de kwalificaties en vaardigheden van de gezinshereniger, structurele vacatures op het vakgebied van de gezinshereniger, of de situatie op de arbeidsmarkt in de lidstaat. Dat de gezinshereniger gedurende een eerdere periode de beschikking had over bepaalde bedragen, kan zeker ook als bewijs gelden, maar mag niet als eis worden gesteld, aangezien dit kan leiden tot een niet in de richtlijn beoogde extra voorwaarde en wachttijd, vooral wanneer de gezinshereniger aan het begin van zijn loopbaan staat."
2.7. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS1678, volgt dat hoewel de richtsnoeren op zichzelf niet bindend zijn, zij een handvat bieden bij de interpretatie van de bepalingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
2.8.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 december 2015 in zaak nr. 15/10706;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 mei 2015, V-nummer […];
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Willems
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2016
412-827.