Rechtspraak
Raad van State
2016-06-01
ECLI:NL:RVS:2016:1499
Bestuursrecht
Hoger beroep
2,481 tokens
Inleiding
201505503/1/A3.
Datum uitspraak: 1 juni 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Groot-Brittannië, voor het minderjarige kind [naam kind],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2015 in zaak nr. 14/11009 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 2014 heeft de minister krachtens artikel 9 van de Paspoortwet en de artikelen 9 en 52, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: de Pub), een aanvraag van het kind om hem een nationaal paspoort te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 28 oktober 2014 heeft de minister het daartegen door [appellant] mede namens het kind gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] mede namens het kind ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] mede namens het kind hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2016, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. van Dinter, werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] is bij Koninklijk Besluit van 21 december 1998 het Nederlanderschap verleend. Hij heeft zijn Liberiaanse nationaliteit behouden. Op 23 mei 2004 is hij in Liberia getrouwd. Dit huwelijk (hierna: het eerste huwelijk) is door het overlijden van de vrouw (hierna: de eerste echtgenote) geëindigd. Op 27 januari 2007 is [appellant] in Liberia met de moeder van het kind getrouwd. Het kind is op 8 november 2007 in Liberia geboren. Het kind heeft de Liberiaanse nationaliteit. In geschil is of het ook de Nederlandse nationaliteit heeft.
2. De minister heeft de aanvraag van het kind niet in behandeling genomen, omdat het huwelijk waaruit het is geboren ten tijde van zijn geboorte polygaam was en derhalve wegens strijd met de openbare orde niet kan worden erkend. Het eerste huwelijk is namelijk eerst na de geboorte van het kind, door het overlijden van de eerste echtgenote op 30 december 2007, geëindigd. Volgens de minister heeft [appellant] daarom nooit in een familierechtelijke betrekking tot het kind gestaan, was hij ten tijde van de geboorte van het kind daarom niet zijn vader in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en heeft het kind niet van rechtswege het Nederlanderschap verkregen.
3. [appellant] heeft bij brief van 27 januari 2016 nadere stukken overgelegd. Het gaat om een kopie van een brief van zijn Liberiaanse advocaat van 17 juni 2015 aan het Liberiaanse Ministry of Health & Social Welfare, waarin wordt verzocht de overlijdensdatum van de eerste echtgenote te corrigeren van 30 december 2007 naar 30 september 2007, een kopie van een overlijdensakte van de eerste echtgenote, waarin 30 september 2007 als overlijdensdatum is vermeld, een kopie van bijbehorende legalisatiedocumenten en een kopie van een brief van de principal registrar van het Bureau of Vital and Health Statistics van het Liberiaanse Ministry of Health and Social Welfare van 22 juni 2015, waarin onder meer is vermeld dat de eerste echtgenote op 30 september 2007 is overleden. Volgens [appellant] blijkt uit die stukken dat de eerste echtgenote voor de geboorte van het kind is overleden, zodat het huwelijk waaruit het kind is geboren ten tijde van diens geboorte niet polygaam was.
De minister stelt zich op het standpunt dat [appellant] in de besluitvormingsfase, in beroep en in zijn hogerberoepschrift niet heeft aangevoerd dat de overlijdensdatum van 30 december 2007 incorrect is. Volgens hem is onderzoek noodzakelijk om de echtheid van de bij de brief van 27 januari 2016 overgelegde stukken en de juistheid van de inhoud van die stukken vast te stellen. Die stukken moeten in hoger beroep buiten beschouwing blijven, aldus de minister.
3.1. [appellant] heeft in de besluitvormingsfase een overlijdensakte overgelegd waarin is vermeld dat de eerste echtgenote op 30 december 2007 is overleden. De minister is op grond daarvan bij zijn besluitvorming van die datum uitgegaan. Gedurende de besluitvorming noch in beroep heeft [appellant] aangevoerd dat die overlijdensdatum onjuist is. Nu de rechtbank het besluit van 28 oktober 2014 aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden moest toetsen naar het recht en de feiten ten tijde van dat besluit, kunnen de door [appellant] bij de brief van 27 januari 2016 overgelegde stukken niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De Afdeling zal deze stukken daarom verder niet bij de beoordeling van het hoger beroep betrekken.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond heeft verworpen dat het huwelijk waaruit het kind is geboren, hoewel dat polygaam was, in zijn geval toch moet worden erkend. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat dat huwelijk feitelijk niet polygaam was, omdat hij niet tegelijkertijd twee gemeenschappelijke huishoudingen heeft gevoerd, en de polygame situatie slechts kort heeft geduurd. Voorts is de rechtbank niet ingegaan op de door hem aangehaalde beschikkingen van het gerechtshof Amsterdam van 12 november 1998 in zaak nr. 69/98 (NIPR 1999/137) en het gerechtshof Den Haag van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:GHDHA:2014:4394), aldus [appellant].
4.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder vader verstaan: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, is Nederlander het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW), wordt een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, als zodanig erkend.
Ingevolge artikel 32 wordt, ongeacht artikel 31, aan een buiten Nederland gesloten huwelijk erkenning onthouden, indien deze erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Ingevolge artikel 33 zijn de artikelen 31 en 32 van toepassing ongeacht of over de erkenning van de rechtsgeldigheid van een huwelijk als hoofdvraag, dan wel in verband met een andere vraag wordt beslist.
Ingevolge artikel 100, eerste lid, wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij:
a. er voor de rechtsmacht van de rechter kennelijk onvoldoende aanknoping bestond met de rechtssfeer van diens land;
b. aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of
c. de erkenning van die beslissing kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.
Ingevolge artikel 101, eerste lid, is artikel 100, eerste lid, onder b en c, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.
4.2. Aan de beoordeling of [appellant] bij de geboorte van het kind in een familierechtelijke betrekking tot hem stond, gaat ingevolge artikel 33 van Boek 10 van het BW de vraag vooraf of het huwelijk waaruit het kind is geboren overeenkomstig de artikelen 31 en 32 als rechtsgeldig kan worden erkend. Voor zover [appellant] met zijn verwijzing naar de beschikking van 1 oktober 2014 bedoelt te betogen dat op grond van de Liberiaanse geboorteakte van het kind ingevolge artikel 101, eerste lid, van Boek 10 van het BW, van diens familierechtelijke betrekking met de in die geboorteakte als vader vermelde [appellant] moet worden uitgegaan, kan dit betoog niet worden gevolgd. Uit die geboorteakte blijkt immers niet meer dan dat het kind is geboren uit het huwelijk van zijn moeder met [appellant]. Dat het gerechtshof Den Haag in de beschikking van 1 oktober 2014 in het daarin voorliggende geval wel tot toepassing van artikel 101, eerste lid, is gekomen, kan aan het voorgaande niet afdoen.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX7705) volgt dat met de Nederlandse openbare orde onverenigbaar is dat een persoon tegelijkertijd met meer dan een persoon gehuwd kan zijn en dat erkenning van een polygaam huwelijk dat in het buitenland is gesloten slechts kan worden onthouden indien de Nederlandse rechtsorde er in voldoende mate bij is betrokken. Het huwelijk waaruit het kind is geboren is in voldoende mate bij de Nederlandse rechtsorde betrokken, reeds omdat voor hem op grond van dat huwelijk een nationaal paspoort is aangevraagd.
Dictum
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Vlasblom w.g. Hartsuiker
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016
620.