Rechtspraak Raad van State 2015-09-09
ECLI:NL:RVS:2015:2831
Bestuursrecht
201409759/1/A1. Datum uitspraak: 9 september 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 november 2014 in zaken nrs. 14/1705 en 14/1706 in het geding tussen: [appellant] en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR). Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid om motorrijtuigen te besturen opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 20 maart 2013 heeft het CBR het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard, omdat hij niet voldoet aan de eisen van geschiktheid. Bij besluit van 21 maart 2014 heeft het CBR het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 november 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de besluiten van 20 maart 2013 en 21 maart 2014 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het CBR heeft een verweerschrift ingediend. Het CBR en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2015, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.P. van Vulpen, advocaat te Haarlem, is verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier. w.g. Bijloos lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015 700. 1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) wordt indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld. Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot: a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid; b. oplegging van een alcoholslotprogramma; c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid. Ingevolge artikel 134, eerste lid, eerste volzin, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangegeven waarin daarvan sprake is. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) zoals deze gold ten tijde van belang, wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1. Ingevolge het tweede lid, dient, indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1 onder ‘Drogerende stoffen Alcohol’, betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist. Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder d komt betrokkene niet in aanmerking voor de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: een EMA) indien hij de afgelopen vijf jaar reeds eerder aan een EMA heeft deelgenomen. Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw 1994, indien de uitslag van het onderzoek of de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen. Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage (hierna: de Bijlage). Ingevolge de Bijlage, hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen", paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid. 2. Het CBR heeft het besluit van 12 oktober 2012, dat bij besluit van 20 maart 2013 in stand is gelaten, genomen naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 van de Regiopolitie Kennemerland van 26 september 2012. In deze mededeling is vermeld dat [appellant] op 21 september 2012 als bestuurder van een motorrijtuig staande is gehouden op verdenking van overtreding van artikel 8 van de Wvw 1994 en daarbij bij hem een ademalcoholgehalte van 540 µg/l is geconstateerd. Voorts is vermeld dat [appellant] op 12 juli 2008 en 14 juni 2008 is aangehouden en daarbij bij hem beide keren een ademalcoholgehalte van 620 µg/l is geconstateerd. Aan het besluit van 20 maart 2013 heeft het CBR ten grondslag gelegd dat blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2012 (hierna: het proces-verbaal van bevindingen) de politie heeft geconstateerd dat de adem van [appellant] naar alcohol rook, zijn ogen bloeddoorlopen waren en hij onvast ter been was en tijdens het daarop volgende verhoor heeft erkend dat hij na het nuttigen van alcoholische drank als bestuurder van een voertuig heeft gereden. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het CBR bij besluit van 12 oktober 2012 ten onrechte een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft opgelegd. Hij voert hiertoe aan dat hij geen bestuurder van een motorrijtuig was, maar slechts aan het tanken en afrekenen was en de bestuurder samen met een andere medepassagier in een nabijgelegen winkel bloemen aan het kopen was voor een verjaardag. Daarnaast verwijst hij naar getuigenverklaringen van [getuige A] en [getuige B] en de aantekening mondeling vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2014, waarbij hij door de politierechter in die rechtbank is vrijgesproken ter zake van rijden onder invloed. 3.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201204366/1/A3), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. 3.2. Niet in geschil is dat [appellant] op 21 september 2012 alcohol heeft gebruikt en bij hem op die datum een ademalcoholgehalte van 540 µg/l is gemeten. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, terecht overwogen dat met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat [appellant] als bestuurder van het motorrijtuig is opgetreden en de door [appellant] overgelegde verklaringen geen aanleiding geven voor het oordeel dat het CBR niet heeft mogen uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen. Hierbij heeft de rechtbank in navolging van het CBR van belang mogen achten dat [appellant] het proces-verbaal heeft ondertekend en daarin is vermeld dat hij als bestuurder van een motorrijtuig heeft gereden. Daarnaast heeft de verbalisant gezien, zoals nader toegelicht in de verklaring van 14 maart 2013, dat [appellant] als bestuurder van een motorrijtuig het tankstation binnenreed, waarna hij [appellant] wankelend uit het motorrijtuig zag stappen. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat in het proces-verbaal van bevindingen een onjuist BSN-nummer van hem is vermeld is, wat daar verder van zij, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van daarin gerelateerde bevindingen. Dat [appellant] door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland is vrijgesproken van het hem ten laste gelegde brengt in dit geval niet met zich dat de grondslag aan het vermoeden bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wwv 1994 is komen te ontvallen. De aantekening mondeling vonnis van de politierechter is niet voorzien van een motivering.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 27 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 8 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 2 — Regeling eisen geschiktheid 2000
- Artikel 2 — Wet tot regeling van het Militair Onderwijs bij de Landmacht
- Artikel 134 — Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 131 — Wegenverkeerswet 1994