Rechtspraak Raad van State 2014-03-25
ECLI:NL:RVS:2014:1155
Bestuursrecht
201307685/3/R2. Datum uitspraak: 25 maart 2014 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van: [opposant A] en [opposant B] (hierna in enkelvoud: [opposant]), wonend te Raamsdonk, gemeente Geertruidenberg, opposanten, tegen de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2013 in zaak nr. 201307685/2/R2. Bij uitspraak van 2 december 2013, in zaak nr. 201307685/2/R2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [opposant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2013, verzet gedaan. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzet ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat. w.g. Van Buuren w.g. Verbeek lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2014 388. 1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. 2. Bij de uitspraak waarvan verzet is het beroep van [opposant] tegen een besluit omtrent een salderingsreservering in het kader van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: stikstofverordening) ongegrond verklaard. De Afdeling overwoog dat met de stikstofverordening wordt beoogd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant terug te dringen onder meer door het stellen van technische eisen aan stallen en door het stellen van stikstofdepositie-eisen aan agrarische bedrijven. De bepalingen van de stikstofverordening hebben derhalve met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te beschermen. De Afdeling overwoog verder dat het perceel van [opposant] op ruim vijf kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied "Biesbosch" ligt. Gelet op deze afstand bestaat geen duidelijke verwevenheid van de individuele belangen van de Munck bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe omgeving met de algemene belangen die de stikstofverordening beoogt te beschermen, zodat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen die [opposant] heeft als omwonende van het bedrijf waarvoor het salderingsbesluit is genomen. Nu artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd, zijn de beroepsgronden buiten bespreking gelaten. 3. [opposant] betoogt dat artikel 1 van het overgangsrecht bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht zo moet worden uitgelegd dat artikel 8:69a van de Awb niet van toepassing is op een procedure die is aangevangen voordat artikel 8:69a in werking trad. 3.1. Ingevolge artikel 1 van het overgangsrecht bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht blijft het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op: a. bezwaar of beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit; b. hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; c. een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; Artikel 8:69a van de Awb, dat onderdeel uitmaakt van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht is op 1 januari 2013 in werking getreden. 3.2. Het beroep van [opposant] is gericht tegen een besluit dat op 11 juli 2013, derhalve na de inwerkingtreding van artikel 8:69a van de Awb, is bekendgemaakt. Dat betekent dat geen van de situaties als bedoeld in het overgangsrecht aan de orde is, zodat artikel 8:69a van de Awb van toepassing is in deze procedure. Voor een uitleg van het overgangsrecht zoals [opposant] beoogt bestaat geen aanleiding. 4. [opposant] betoogt in verzet dat anders dan waarvan de Afdeling is uitgegaan, zijn woning op 2500 meter van het Natura 2000-gebied Langstraat ligt. [opposant] stelt dat zijn belangen bij behoud van een goede kwaliteit van de woonomgeving in dit geval zo verweven zijn met de algemene belangen die de stikstofverordening beoogt te beschermen dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de stikstofverordening kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. 4.1. [opposant] stelt terecht dat in de uitspraak waarvan verzet ten onrechte is uitgegaan van een kleinste afstand van vijf kilometer tussen zijn woning en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied. De kleinste afstand bedraagt ongeveer 2500 meter. Anders dan [opposant] stelt betekent dit echter niet dat hij in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied woont. Ook bij deze afstand bestaat geen duidelijke verwevenheid van de individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe omgeving met de algemene belangen die de stikstofverordening beoogt te beschermen. Het betoog faalt. 5. [opposant] betoogt dat de toepassing van het relativiteitsvereiste in strijd is met het Unierecht. Uit de Habitatrichtlijn volgt dat nationale wetgeving ervoor moet zorgdragen dat Natura 2000-gebieden beschermd worden. Als het beroep van degene die dichtbij de inrichting woont, maar op grote afstand van het Natura 2000-gebied niet kan leiden tot vernietiging van het besluit en de beroepen van degenen die dichtbij het Natura 2000-gebied wonen, maar op grote afstand van de inrichting, niet-ontvankelijk zijn in beroep, dan zijn de Natura 2000-gebieden in feite vogelvrij, aldus [opposant]. 5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2013 in zaak nr. 201200593/1/R2, 201205887/1/R2, 201300402/1/R2, www.raadvanstate.nl) is de stikstofverordening gebaseerd op artikel 19ke van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Artikel 19ke van de Nbw 1998 en de stikstofverordening zijn instrumenten ter implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 5.2. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 18 maart 2010, C 317/08, C-318/08, C-319/08 en C-320/08, Alassini e.a., punten 47 tot en met 49 (www.curia.europa.eu), overwogen dat het volgens vaste rechtspraak bij gebreke van Unieregelgeving ter zake in de eerste plaats een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat is om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor de beroepen die dienen ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, waarbij de lidstaten evenwel gehouden zijn in elk geval een doeltreffende bescherming van die rechten te verzekeren. Uit dien hoofde mogen volgens vaste rechtspraak de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie toegekende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Deze vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid geven uitdrukking aan de algemene verplichting van lidstaten om de bescherming in rechte te waarborgen van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, aldus het Hof van Justitie. Het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming is thans ook vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 5.3. De Afdeling stelt vast dat ten aanzien van een besluit omtrent een salderingsreservering een Unierechtelijke regeling over de toegang tot de rechter ontbreekt. Zij zal gelet op 5.2 onderzoeken of de toepassing van het relativiteitsvereiste in de onderhavige zaak zich verdraagt met de eisen die het Hof stelt aan de toepasselijkheid van nationale procesregels in zaken met een Unierechtelijke dimensie. Zij overweegt daartoe het volgende. 5.4. Het relativiteitsvereiste is gelijkelijk van toepassing op beroepen op grond van schending van het recht van de Unie en op beroepen op grond van niet-inachtneming van het nationale recht, zodat aan het beginsel van gelijkwaardigheid wordt voldaan. 5.5.