Rechtspraak Raad van State 2013-12-11
ECLI:NL:RVS:2013:2355
Bestuursrecht
201211594/1/A4. Datum uitspraak: 11 december 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Utrecht, appellante, tegen de tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 25 april 2012 en de uitspraak van 5 november 2012 in zaak nrs. 12/267, 12/268, 12/881 en 12/882 in het geding tussen: ProRail en de minister van Infrastructuur en Milieu Bij besluit van 8 september 2011 heeft de minister aan ProRail een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen in samenhang met randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, van bijlage 1 bij de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen (hierna: de Vsg). Bij besluit van 17 februari 2012 heeft de minister het door ProRail daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij tussenuitspraak van 25 april 2012 heeft de voorzieningenrechter de minister in de gelegenheid gesteld het door haar geconstateerde gebrek met betrekking tot de aan het besluit van 8 september 2011 verbonden begunstigingstermijn te herstellen. Bij besluit van 15 juni 2012 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van ProRail beslist en dit gegrond verklaard voor zover dit ziet op de begunstigingstermijn, en voor het overige ongegrond verklaard. Voorts heeft de minister een nieuwe begunstigingstermijn gesteld, die loopt tot 1 februari 2013. Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van ProRail beslist, waarbij onder meer de besluiten van 17 februari 2012 en 15 juni 2012 zijn ingetrokken en is bepaald dat het besluit van 9 oktober 2012 daarvoor in de plaats treedt. Voorts is het bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op de begunstigingstermijn en het besluit van 8 september 2011 in zoverre herroepen. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard. De minister heeft een nieuwe begunstigingstermijn tot 1 januari 2014 gesteld. Bij uitspraak van 5 november 2012 heeft de voorzieningenrechter het door ProRail ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 17 februari 2012 en 15 juni 2012, niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de voorzieningenrechter het beroep gericht tegen het besluit van 9 oktober 2012 ongegrond verklaard met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraken heeft ProRail hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. ProRail heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2013, waar Prorail, vertegenwoordigd door mr. D. van Bemmel, mr. P.M. Tenpierik en mr. R.M. Fieten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Hoekstra, mr. S.B.J. Teuwen en ing. J. Euser, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraken. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. T.C. van Sloten en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat. w.g. Wortmann w.g. Van Heusden Voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013 163-742. Omvang geding 1. De Afdeling stelt vast dat het hoger beroep ziet op de ongegrondverklaring door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 5 november 2012 van het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2012, voor zover daarbij is gehandhaafd het besluit van 8 september 2011. Voor zover het bij de voorzieningenrechter bestreden besluit van 9 oktober 2012 overeenkomt met het besluit op bezwaar van 17 februari 2012 is het hoger beroep mede gericht tegen de tussenuitspraak van de voorzieningenrechter. Relevante regelgeving 2. Ingevolge randnummer 1.2.1 van bijlage 1 van de Vsg is de infrastructuurbeheerder elke overheidsinstantie of onderneming, die in het bijzonder voor de totstandbrenging of het onderhoud van spoorweginfrastructuur, alsmede voor het beheer van de systemen voor controle en veiligheid, verantwoordelijk is. Ingevolge randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, heeft de infrastructuurbeheerder in het kader van sectie 1.4.1 in het bijzonder de plicht om ervoor zorg te dragen dat hij te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang heeft tot de volgende informatie: - samenstelling van de trein, door vermelding van het nummer van elke wagen en het wagentype, indien dit niet onderdeel is van het wagennummer; - UN-nummers van de gevaarlijke goederen die in of op elke wagen worden vervoerd, of indien alleen gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd overeenkomstig hoofdstuk 3.4, informatie die de aanwezigheid daarvan aangeeft indien kenmerking van de wagen of de grote container overeenkomstig hoofdstuk 3.4 is voorgeschreven; - positie van elke wagen in de trein (volgorde van de wagens). Deze gegevens mogen alleen bekend gemaakt worden aan de instanties die deze nodig hebben voor doeleinden van veiligheid, beveiliging of noodmaatregelen. Overtreding 3. De minister heeft bij de bij de rechtbank bestreden beslissing op bezwaar het besluit van 8 september 2011 gehandhaafd, waarbij ProRail onder oplegging van een dwangsom is gelast om te allen tijde te voldoen aan randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, van bijlage 1 van de Vsg. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat ProRail op 4, 9 en 29 augustus 2011 niet in staat was om door toezichthouders van de Inspectie Verkeer en Waterstaat gevraagde informatie betreffende de aanwezigheid, aard en locatie van gevaarlijke stoffen in spoorwagens, tijdig te leveren. Daarnaast was volgens de minister de verstrekte informatie onjuist en onvolledig. Vast staat dat ProRail de gevraagde informatie niet binnen 15 minuten nadat daarom was verzocht, heeft geleverd. Tussen partijen is niet in geschil dat ProRail aldus niet snel toegang had tot de informatie als bedoeld in randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, van bijlage 1 van de Vsg. De Afdeling overweegt dat een termijn van 15 minuten als niet onredelijk kan worden beschouwd. Indien binnen 15 minuten de gevraagde informatie niet kan worden verstrekt wordt genoemd randnummer niet nageleefd. De minister was derhalve bevoegd tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Omvang last 4. ProRail betoogt dat de voorzieningenrechter door te overwegen op welke wijze een informatiesysteem moet worden ingericht, heeft miskend dat de Vsg geen eisen stelt aan het informatiesysteem, waarmee kan worden voldaan aan de in randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, van bijlage 1 bij de Vsg neergelegde informatieverplichting. 4.1. De overwegingen van de voorzieningenrechter hebben niet de door ProRail gestelde betekenis. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het aan ProRail is om te bepalen op welke wijze zij aan haar informatieverplichting wil voldoen. De keuze voor al dan niet een compleet registratiesysteem om alle informatie beschikbaar te hebben, is in de eerste plaats aan ProRail, aldus de voorzieningenrechter. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het nemen van tussenstappen om de informatie boven water te krijgen, zoals het verrichten van telefoontjes, mails en dergelijke naar derden, zeker als deze tussenstappen ingewikkelder en wat uitkomst betreft onzekerder worden, op gespannen voet staat met het vereiste van het onbeperkt toegang hebben tot informatie. Anders dan ProRail veronderstelt, heeft de voorzieningenrechter hiermee, reeds gezien de gekozen bewoordingen, geen invulling gegeven die haar beperkt in de wijze waarop zij invulling wenst te geven aan de informatieplicht. Van de overwegingen ter zake gaat dan ook geen bindende werking uit. Het betoog faalt. 5. Wat betreft het betoog van ProRail dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de last onvoldoende duidelijk is wat betreft de verplichting dat zij te allen tijde toegang dient te hebben tot informatie als bedoeld in randnummer 1.4.3.6., heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de ingevolge het randnummer vereiste informatie niet alleen bij calamiteiten, maar ook als die er niet zijn beschikbaar moet kunnen zijn. Het betoog faalt. 6. ProRail betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ingevolge de Vsg de verantwoordelijkheid om te waarborgen dat de informatie die door derden aan haar moet worden verstrekt juist en volledig is niet primair bij haar als infrastructuurbeheerder ligt, maar bij andere bij het vervoer betrokken partijen. Naar haar stelling rust op haar niet de verplichting om te controleren, door bijvoorbeeld visuele inspectie van de inhoud van treinwagens dan wel anderszins, of de door vervoerders opgegeven informatie klopt. De opgelegde last verplicht haar naar haar opvatting als zodanig dan ook niet tot het verstrekken aan instanties van juiste en volledige informatie. Verder betoogt zij dat anders dan waarvan de voorzieningenrechter is uitgegaan, zij niet contractueel kan afdwingen dat vervoerders volledige en juiste informatie aan haar verstrekken. 6.1. De Afdeling stelt voorop dat randnummer 1.4.3.6, aanhef en onder b, van de Vsg uitsluitend ziet op de verplichting informatie te kunnen geven betreffende de samenstelling van een trein, het stofidentificatienummer, het UN-nummer, van aanwezige gevaarlijke goederen en de positie van wagens in de trein. Hoofdstuk 1.4 van de Vsg ziet volgens het opschrift op veiligheidsplichten van de betrokkenen bij het vervoer van gevaarlijke goederen. Sectie 1.4.1 betreft de algemene zorg voor de veiligheid. Randnummer 1.4.1.1 ziet op de algemene verplichting voor betrokkenen om maatregelen te treffen om schadegevallen te verhinderen en indien schade optreedt de omvang daarvan zo beperkt mogelijk te houden. Randnummer 1.4.1.2 betreft de algemene plicht voor betrokkenen mogelijk direct gevaar voor de openbare veiligheid onmiddellijk te melden aan de instanties voor de hulpverlening en de veiligheid en de plicht deze instanties te voorzien van de voor hun optreden noodzakelijke informatie. Sectie 1.4.2 bevat de plichten van de belangrijkste betrokkenen. Dat zijn blijkens de subsecties de afzender, de vervoerder en de geadresseerde van gevaarlijke goederen. Ingevolge subsectie 1.4.2.2.5 moet de vervoerder waarborgen dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kan krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakt te voldoen aan voorschrift 1.4.3.6, aanhef en onder b. Sectie 1.4.3 betreft de plichten van andere betrokkenen. Daarin staat vermeld dat in die sectie de andere betrokkenen en hun plichten bij wijze van voorbeeld zijn aangegeven. Als andere betrokkenen worden genoemd de belader (subsectie 1.4.3.1), de verpakker (subsectie 1.4.3.2), de vuller (subsectie 1.4.3.3), de exploitant van een tankcontainer of transporttank (subsectie 1.4.3.4), de exploitant (subsectie 1.4.3.5), de infrastructuurbeheerder (subsectie 1.4.3.6) en de losser (subsectie 1.4.3.7).