Rechtspraak Raad van State 2012-02-01
ECLI:NL:RVS:2012:BV2451
Bestuursrecht
201102451/1/A3. Datum uitspraak: 1 februari 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te Amsterdam, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/2789 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Amsterdam. Bij besluit van 30 november 2006 heeft de burgemeester een aan [appellante] verleende vergunning voor de exploitatie van horecabedrijf [lunchroom], gevestigd aan [locatie] te Amsterdam, ingetrokken. Bij dit besluit heeft de burgemeester tevens [appellante] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van dit bedrijf binnen vier weken na verzending van het besluit te beëindigen. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 10 mei 2010, heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en de burgemeester veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1.500,00 aan [appellante]. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend. De burgemeester heeft adviezen van het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: het Bureau) aan de Afdeling toegezonden en daarbij medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling ervan kennis zal mogen nemen. Op 27 juli 2011 heeft de Afdeling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is en [appellante] gevraagd om toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Deze toestemming is verleend. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2011, waar [appellante] en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.F.W. Boermans, mr. A.H.M. Buijs en S. Haavekost, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink w.g. Klein voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2012 97-640. 2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: de Wet bibob) kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of b. strafbare feiten te plegen. Ingevolge het tweede lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, b. in geval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. Ingevolge het derde lid wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, b. in geval van vermoeden de ernst daarvan, c. de aard van de relatie en d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Ingevolge het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat. Ingevolge het vijfde lid vindt de weigering dan wel de intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met: a. de mate van het gevaar en b. voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. Ingevolge artikel 7, eerste lid, kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3. Ingevolge het derde lid kan het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voordat een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, het Bureau om een advies vragen. Ingevolge artikel 8 is er een Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Ingevolge artikel 9, eerste lid, voor zover thans van belang, heeft het Bureau tot taak aan bestuursorganen, voor zover deze bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen het Bureau daartoe te verzoeken, desgevraagd advies uit te brengen over de mate van gevaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Ingevolge artikel 4 van het Besluit bibob worden als inrichtingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet bibob aangewezen: a. inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt, […]. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren. 2.2. Bij het besluit op bezwaar heeft de burgemeester het besluit van 30 november 2006 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd. Aan het besluit zijn adviezen van het Bureau van 16 maart 2006 en 30 juli 2008 en een nadere toelichting van het Bureau van 25 september 2008 ten grondslag gelegd. Op grond van de adviezen heeft de burgemeester zich op het standpunt gesteld dat ernstig gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede wordt gebruikt om door [persoon A] en [persoon B] uit drugshandel en witwassen verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten en om het strafbare feit witwassen te plegen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellante] in relatie staat tot [persoon A] en [persoon B] en daarmee tot voormelde strafbare feiten. 2.3. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt mocht stellen dat [appellante] in relatie staat tot strafbare feiten waarbij [persoon A] en [persoon B] zijn betrokken, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wet bibob. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat [persoon A] en [persoon B] de exploitatie van Lunchroom 52 mede hebben gefinancierd door aan [appellante] een lening van € 70.000,00 te verstrekken en dat zij de eigenaren zijn van het pand waarin [lunchroom] is gevestigd. Voorts heeft de rechtbank hierbij betrokken dat in een tussen [appellante] en [persoon A] en [persoon B] gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat [persoon A] en [persoon B] bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van [appellante] de bedrijfsinventaris en de eventuele goodwill voor een vastgesteld bedrag van haar zullen kopen. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellante] tot 1 juni 2007 bedrijfsleider was bij een onderneming van [persoon A] en [persoon B], te weten [naam bedrijf]. 2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester de exploitatievergunning op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob mocht intrekken. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat zij niet in relatie stond tot strafbare feiten waarbij [persoon A] en [persoon B] zijn betrokken. Zij voert aan dat het afsluiten van voormelde lening en het overeenkomen van het voormelde zogenoemde terugkoopbeding geen wezenlijke verandering betekende ten opzichte van de situatie die bestond voordat [persoon A] en [persoon B] eigenaar werden van het pand waarin [lunchroom] is gevestigd. Verder voert zij aan dat zij ten tijde van het besluit op bezwaar geen directeur meer was van [naam bedrijf]. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat de burgemeester in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe wijst zij op de aankoop van panden van [persoon C] en de verlening van vergunningen aan de [naam andere bedrijven]. 2.4.1. Hetgeen [appellante] aanvoert over de redenen om tot het afsluiten van de lening en het overeenkomen van het terugkoopbeding over te gaan, laat onverlet dat deze omstandigheden wijzen op betrokkenheid van [persoon A] en [persoon B] bij de onderneming van [appellante]. Dat deze betrokkenheid niet wezenlijk verschilt van de betrokkenheid van de vorige eigenaar van het pand bij haar onderneming, maakt dit niet anders. [persoon A] en [persoon B] waren ten tijde van belang de enige bestuurders van [holding], welke vennootschap destijds de enige aandeelhouder was van [naam bedrijf]. In die verhouding hadden [persoon A] en [persoon B] zeggenschap over [appellante], aangezien zij directeur was van [naam bedrijf].