Rechtspraak Raad van State 2011-11-30
ECLI:NL:RVS:2011:BU6344
Bestuursrecht
201009972/1/H4. Datum uitspraak: 30 november 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bowie Recycling B.V., gevestigd te Landhorst, appellante, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het college van gedeputeerde staten aan Bowie een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer geweigerd voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor onder meer de op- en overslag en het bewerken van puin en niet-teerhoudend asfalt gelegen aan de Ladonkseweg 28 te Boxtel. Dit besluit is op 6 september 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft Bowie bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 november 2010. Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2011, waar het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. van de Coevering-van Herpen en ing. M. van den Wijngaard, is verschenen. Voorts zijn ter zitting de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid Lennishill B.V. en Milieu Service Brabant B.V., beide vertegenwoordigd door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.J. Kalter, ambtenaar van staat. w.g. Simons-Vinckx w.g. Kalter voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011 492-684. 2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd. 2.2. De vergunningaanvraag ziet op de vestiging van de inrichting op een op grond van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Bij het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten de vergunning geweigerd omdat de geldende grenswaarde van 55 dB(A) ter plaatse van binnen de zone gelegen woningen wordt overschreden. 2.3. Bowie voert aan dat het college van gedeputeerde staten bij het nemen van het bestreden besluit op geen enkele wijze heeft meegewogen dat het besluit tot verlening van een revisievergunning in de vorige procedure niet binnen de daartoe gestelde termijn is genomen. Bovendien zijn in onderhavige procedure wederom procedurele fouten gemaakt, aldus Bowie. Verder stelt Bowie dat het college van burgemeester en wethouders van Boxtel, in zijn hoedanigheid als zonebeheerder, een grote rol heeft gespeeld in de procedure tot vergunningverlening en dat de zonebeheerder ernstig in gebreke is om inzicht te krijgen en te geven in de mogelijkheden van reductie en herzonering van industrieterrein Ladonk. 2.3.1. De Afdeling overweegt dat in deze procedure slechts ter beoordeling staat of de gevraagde vergunning terecht is geweigerd. Procedures die voorafgaand aan deze procedure hebben plaatsgevonden alsmede de rol van de zonebeheerder spelen hierbij geen rol. Deze beroepsgronden zien in zoverre niet op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Bowie heeft verder nagelaten te onderbouwen welke procedurele fouten in de huidige procedure zijn gemaakt. De beroepsgronden falen. 2.4. Ingevolge artikel 8.8, derde lid, aanhef en onder a van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 dan wel voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder. Ingevolge het vierde lid neemt het bevoegd gezag, in afwijking van het derde lid, onderdeel a, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag voor een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht. Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b, wordt de vergunning in ieder geval geweigerd indien verlening daarvan niet in overeenstemming zou zijn met hetgeen overeenkomstig artikel 8.8, derde lid, door het bevoegd gezag in acht moet worden genomen. 2.5. Bowie betoogt dat de vergunning ten onrechte is geweigerd omdat het college van gedeputeerde staten voor een identieke inrichting wel een vergunning heeft verleend. 2.5.1. Op grond van artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer dient het college bij vergunningverlening onder meer de op grond van de Wet geluidhinder voor woningen binnen de zone geldende grenswaarden in acht te nemen. Als niet aan die grenswaarden kan worden voldaan, zoals in dit geval, dient de gevraagde vergunning te worden geweigerd. Dat eerder al dan niet terecht voor een vergelijkbare inrichting wel vergunning is verleend, maakt niet dat in dit geval ook tot vergunningverlening had moeten worden overgegaan. De beroepsgrond faalt. 2.6. Bowie betoogt dat zij het college van gedeputeerde staten in een faxbericht van 18 juni 2009 heeft gewezen op de aanwezigheid van een aantal mogelijkheden om de vergunning te verlenen. Bowie voert aan dat het college van gedeputeerde staten deze mogelijkheden ten onrechte niet heeft onderzocht. 2.6.1. In voornoemd faxbericht heeft Bowie gewezen op de mogelijkheid van het toepassen van artikel 65 van de Wet geluidhinder, de vergunningverlening aan een identieke inrichting, jurisprudentie met betrekking tot inwaartse zonering en het toepassen van redelijke sommatie. Het college van gedeputeerde staten heeft deze mogelijkheden onderzocht en geconcludeerd dat deze mogelijkheden niet kunnen leiden tot vergunningverlening. Nu het college van gedeputeerde staten de door Bowie genoemde mogelijkheden heeft onderzocht mist de beroepsgrond feitelijke grondslag. 2.7. Bowie betoogt dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 65 van de Wet geluidhinder wordt geboden om de voor de woningen binnen de zone geldende waarden 2 dB(A) hoger vast te stellen om vergunningverlening mogelijk te maken. 2.7.1. Ingevolge artikel 65 van de Wet geluidhinder kan het bevoegd gezag, bij toepassing van artikel 8.8, derde lid, van de Wet milieubeheer, in afwijking van de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, of 64 de in die artikelen bedoelde waarden 2 dB(A) hoger vaststellen, indien: a. op een of meer plaatsen binnen de zone of op de zonegrens de geluidsbelasting gelijk is aan de ten hoogste toegestane geluidsbelasting; b. voor zover van toepassing, de beschikbaarheid van grond voor de vestiging of wijziging van een inrichting, dit mogelijk maakt; c. de geluidsbelasting in belangrijke mate wordt bepaald door inrichtingen waartoe artikel 8.40 van de Wet milieubeheer is toegepast, en d. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de geluidbelasting binnen een afzienbare termijn teruggebracht zal worden op het niveau van de eerder geldende waarden. 2.7.2. Het college van gedeputeerde staten stelt te hebben onderzocht of wordt voldaan aan de in artikel 65 van de Wet geluidhinder genoemde voorwaarden en is tot de conclusie gekomen dat niet kan worden voldaan aan de onder d van dit artikel genoemde voorwaarde, welke voorwaarde inhoudt dat de geluidbelasting binnen afzienbare termijn wordt teruggebracht. Het college van gedeputeerde staten stelt dat de geluidbelasting kan worden teruggebracht door het stellen van maatwerkvoorschriften voor inrichtingen waartoe artikel 8.40 van de Wet milieubeheer is toegepast. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegd gezag ten aanzien van het stellen van maatwerkvoorschriften voor die inrichtingen. Het college van burgemeester en wethouders heeft het college van gedeputeerde staten te kennen gegeven dat voor zover het al mogelijk is de geluidbelasting terug te brengen op het niveau van de eerder geldende waarden, dit niet binnen afzienbare termijn zal gebeuren. Nu niet zeker is dat de geluidbelasting binnen afzienbare tijd kan worden teruggebracht tot het niveau van de eerder geldende waarden, kan geen gebruik worden gemaakt van de in artikel 65 gegeven bevoegdheid, aldus het college van gedeputeerde staten. 2.7.3. De vergunningaanvraag ziet op de oprichting van een inrichting op een gezoneerd industrieterrein. Niet in geschil is dat de ter plaatse van binnen de zone gelegen woningen geldende grenswaarde van 55 dB(A) wordt overschreden. Het college van gedeputeerde staten heeft gemotiveerd uiteengezet dat niet kan worden voldaan aan de in artikel 65, aanhef en onder d, van de Wet geluidhinder genoemde voorwaarde en dat hierdoor geen gebruik kan worden gemaakt van de in dit artikel geboden bevoegdheid om de grenswaarden met 2 dB(A) te verhogen. Niet is gebleken dat dit onjuist is.