Rechtspraak Raad van State 2011-06-01
ECLI:NL:RVS:2011:BQ6848
Bestuursrecht
201007238/1/R2. Datum uitspraak: 1 juni 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. de stichting Stichting Natuur- en Cultuurbehoud Vierhouten en omgeving, de stichting Stichting Natuurschoon Nunspeet en omgeving en de stichting Stichting Gelderse Milieufederatie (hierna: de Stichting en anderen), respectievelijk gevestigd te Nunspeet, Nunspeet en Arnhem, 2. [appellant sub 2], wonend te Vierhouten, gemeente Nunspeet, appellanten, en de raad van de gemeente Nunspeet, verweerder. Bij besluit van 29 april 2010, nr. 10, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied (Huize Vierhouten b.v.)" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de Stichting en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juli 2010, beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Huize Vierhouten B.V. (hierna: Huize Vierhouten B.V.) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2011, waar de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door J.J. Batenburg, [appellant sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door J. Riepma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Huize Vierhouten B.V., vertegenwoordigd door mr. L. Bolier, advocaat te Elspeet, ter zitting als partij gehoord. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G.N. Roes en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Langeveld- Mak voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011 317-647. Ten aanzien van de ontvankelijkheid 2.1. Huize Vierhouten B.V. heeft het gestelde in haar schriftelijke uiteenzetting dat het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, ter zitting ingetrokken. Ten aanzien van het beroep inhoudelijk 2.2. Het plan heeft betrekking op het recreatiebedrijf Huize Vierhouten B.V. dat bestaat uit de camping Zandhul, de camping De Driehoek, zomerhuizen, dienstwoningen, een kamphuis en een conferentieoord. 2.3. De Stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen allereerst dat de verbeelding in strijd is met de standaarden uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP 2008). Het gehele plan achten zij in strijd met artikel 3.1.6., eerste lid, onder a, d en f, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). 2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met de standaarden uit de SVBP 2008. 2.3.2. De Afdeling begrijpt het beroep van de Stichting en anderen en [appellant sub 2] in zoverre aldus dat niet is voldaan aan artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008, waarin, voor zover hier van belang, is bepaald dat een bestemmingsplan wordt vormgegeven, ingericht en beschikbaar gesteld overeenkomstig de SVBP 2008. De door de Stichting en anderen en [appellant sub 2] genoemde aspecten zijn evenwel alle weergegeven op de verbeelding, zodat het plan reeds daarom niet in strijd is met de SVBP 2008. Voor zover de Stichting en anderen en [appellant sub 2] voorts een beroep doen op artikel 1.2.4 van het Bro, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan wordt vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond, is van belang dat de papieren versie van de verbeelding, die in dit geval beslissend is, is voorzien van een topografische ondergrond. Niet valt in te zien dat deze ondergrond onjuist of anderszins onduidelijk is. Wat betreft het beroep van de Stichting en anderen en [appellant sub 2] op artikel 3.1.6, eerste lid, onder a, d en f, van het Bro, oordeelt de Afdeling dat het plan deze verplichte onderdelen bevat. Dat de Stichting en anderen zich niet kunnen verenigen met de inhoud hiervan, doet hier niet aan af. Het betoog faalt. 2.4. De Stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan op verschillende punten in strijd is met het provinciale beleid, waaronder het provinciale groei- en krimpbeleid, beleid inzake de ecologische hoofdstructuur en de provinciale bos- en natuurcompensatieregeling. 2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland al bij brief van 10 december 1992 heeft ingestemd met de uitbreiding van het recreatiebedrijf. Onder verwijzing naar de reactie van de provincie op het voorontwerp stelt de raad dat het plan in overleg met en met instemming van het college is vastgesteld. Het plan is volgens de raad ook niet in strijd met het provinciale beleid. 2.4.2. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft onweersproken gesteld dat bij de totstandkoming van het plan, dat een lange voorgeschiedenis kent, steeds overleg is geweest met de betrokken afdelingen van de provincie. Dit blijkt ook uit de plantoelichting en de reactie van de provincie in het kader van het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. Hierbij betrekt de Afdeling de in de plantoelichting aangehaalde en als bijlage vier toegevoegde natuurtoets van Bureau Schenkeveld van 7 juli 2006 waarin de door hen genoemde aspecten zijn beoordeeld, en waarover bovendien weer overleg heeft plaatsgevonden met de betrokken afdelingen van de provincie. De Afdeling verwijst in dit verband naar de als bijlage 5 overgelegde brief van de provincie van 26 januari 2007. Ook is van belang dat uit de reactie van het college in het kader van het vooroverleg blijkt dat over het sluiten van de overeenkomst tussen de raad en Huize Vierhouten B.V. in het kader van de boscompensatie en de uitvoering hiervan, overleg heeft plaatsgevonden tussen de raad, Huize Vierhouten B.V. en de provincie. Gelet op het voorgaande is aannemelijk dat de raad het provinciaal beleid in zijn afweging heeft betrokken. Het betoog faalt. 2.5. De bestemming voor het kamphuis is volgens de Stichting en anderen en [appellant sub 2] in strijd met het gemeentelijk beleid dat geen kamphuizen op recreatieterreinen worden toegestaan in de omgeving van (woon)bebouwing. 2.5.1. De Stichting en anderen en [appellant sub 2] hebben niet, ook ter zitting niet, aangevoerd uit welk beleidsstuk van de raad volgt dat geen kamphuizen mogen worden gebouwd in de omgeving van (woon)bebouwing. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat het plan op dit punt in strijd is met het gemeentelijk beleid. Het betoog faalt. 2.6. De Stichting en anderen en [appellant sub 2] stellen voorts dat nu het plan niet ziet op het gehele terrein van Huize Vierhouten B.V. ten onrechte geen integrale beoordeling van het recreatief gebruik voor het gehele terrein heeft plaatsgevonden. Zij achten dit in strijd met een zorgvuldige besluitvorming. Daarnaast betogen zij dat het plan, doordat het niet het gehele terrein omvat, leidt tot een rechtsonzekere situatie. 2.6.1. De raad stelt dat de functie van de gebieden die geen deel uitmaken van het plan ongewijzigd blijft en past bij de recreatieve bestemmingen in het onderhavige plan. De raad wijst er in dit verband op dat het plan een lange ontstaansgeschiedenis kent waarin op verschillende momenten een integrale beoordeling van het gebruik van het gehele terrein heeft plaatsgevonden. 2.6.2. Gelet op het lange voortraject van het plan, acht de Afdeling de keuze van de raad dat het plan geen betrekking heeft op de gronden waarvan de functie niet wijzigt, niet onredelijk. In dit verband is van belang dat de Stichting en anderen en [appellant sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening betrekking had moeten hebben op het gehele terrein. Dat geen integrale beoordeling is gemaakt is gelet op het voorgaande evenmin aannemelijk. Het plan leidt daarnaast niet tot een rechtsonzekere situatie, nu uit het bestemmingsplan "Buitengebied" in voldoende mate volgt welke bestemming geldt voor de overige tot het terrein behorende gedeelten. 2.7. De Stichting en anderen en [appellant sub 2] stellen dat de noodzaak voor de uitbreiding van het recreatiebedrijf onvoldoende is gemotiveerd. Hiertoe voeren zij aan dat de overgelegde onderzoeken uit begin jaren 90 en het jaar 1999 niet representatief zijn en dat het taxatierapport van 26 juni 2006 in relatie bezien tot de overige bedrijfsgegevens, de noodzaak onvoldoende onderbouwt. 2.7.1. De raad stelt dat het plan hoofdzakelijk een uitvloeisel is van eerdere uitspraken van de Afdeling. De noodzaak voor uitbreiding is volgens de raad reeds in 1992 vastgesteld en is sindsdien niet gewijzigd. In dit verband wijst de raad erop dat inmiddels meerdere onherroepelijke bouwvergunningen zijn verleend voor recreatiewoningen. 2.7.2. In hetgeen de Stichting en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de noodzaak voor uitbreiding van het recreatiebedrijf actueel is. De raad heeft in dit verband terecht overwogen dat het plan slechts gedeeltelijk voorziet in uitbreiding van het recreatiebedrijf en voor het overige gevolg geeft aan eerdere uitspraken van de Afdeling en onherroepelijke bouwvergunningen voor recreatiewoningen. De enkele stelling van de Stichting en anderen en [appellant sub 2] dat het onderzoek waarin de noodzaak voor uitbreiding is onderbouwd verouderd is, is dan ook onvoldoende. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad, naar ter zitting is bevestigd, bij de vaststelling van het plan opnieuw heeft geïnventariseerd of de noodzaak tot uitbreiding actueel is.