Rechtspraak Raad van State 2011-01-19
ECLI:NL:RVS:2011:BP1334
Bestuursrecht
201002516/1/H2. Datum uitspraak: 19 januari 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 februari 2010 in zaak nr. 09/372 in het geding tussen: [appellant] en de Belastingdienst/Toeslagen. Bij besluit van 4 april 2008 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag van [appellant] voor het jaar 2006 vastgesteld op nihil en de reeds betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 4 mei 2009, aangevuld bij besluit van 29 mei 2009, heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2006, het besluit van 4 april 2008 in zoverre herroepen en voor deze periode een bedrag van € 212,00 aan zorgtoeslag met rente toegekend. Voor het overige heeft de Belastingdienst het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 februari 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 april 2010. De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2010, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat. w.g. Polak w.g. Bindels voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011 85-630. 2.1. Artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) luidt: "Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard dan ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status." Ingevolge artikel 8, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), zoals deze gold ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf: a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14; b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20; c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28; d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33; e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; […] l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) wordt onder verzekerde verstaan de persoon bedoeld in artikel 1, onder f, of in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet, vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van die wet. Ingevolge artikel 2, eerste lid, heeft de verzekerde, indien de normpremie voor een verzekerde in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremie in aanmerking genomen; in dat geval worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. Ingevolge het vierde lid bedraagt, in afwijking van het eerste lid, de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag. Ingevolge het zesde lid wordt de aanspraak op een zorgtoeslag voor iedere kalendermaand afzonderlijk bepaald. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Zorgverzekeringswet, zoals deze luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, is een zorgverzekering een tussen een zorgverzekeraar en een verzekeringnemer ten behoeve van een verzekeringsplichtige gesloten schadeverzekering. Ingevolge die aanhef en onder e is een verzekeringsplichtige degene die op grond van artikel 2 verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren. Ingevolge die aanhef en onder f is een verzekerde degene wiens risico van behoefte aan zorg of overige diensten, als bedoeld in artikel 10, door een zorgverzekering wordt gedekt. Ingevolge artikel 2, eerste lid, is degene die ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ) en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de AWBZ zijn in afwijking van het eerste lid vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000, niet verzekerd. 2.2. Op 22 oktober 2005 heeft [appellant] tezamen met zijn [toeslagpartner] een aanvraag voor zorgtoeslag voor het jaar 2006 ingediend. Bij besluit van 4 april 2008 heeft de Belastingdienst de zorgtoeslag over het jaar 2006 vastgesteld op nihil en een bedrag van € 1.156,00 teruggevorderd. Bij besluit van 4 mei 2009 heeft de Belastingdienst het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dit ziet op de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2006 en het besluit van 4 april 2008 in zoverre herroepen. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft de Belastingdienst voor deze periode aan [appellant] een bedrag van € 212,00 aan zorgtoeslag met rente toegekend. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wzt is dit 50% van het bedrag dat zou zijn toegekend aan de aanvrager met een verzekerde partner. 2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst door twee besluiten op bezwaar te nemen heeft gehandeld in strijd met artikel 7:11 in samenhang gelezen met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). 2.3.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraken van 27 juni 2007 in zaak nr. 200606687/1 en 3 november 2010 in zaak nr. 201000089/1/H2), vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftprocedure voort dat indien het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het aangevochten besluit niet in stand kan blijven dit orgaan niet kan volstaan met (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaarschrift. In dat geval dient, behoudens het geval waarin de enkele herroeping van het besluit voldoende is, voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats te worden gesteld. Die uitzondering doet zich hier niet voor. De Belastingdienst diende na de herroeping van het besluit van 4 april 2008 nog te beslissen of over de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2006 zorgtoeslag zou worden verleend. Tussen de gegrondverklaring van het door [appellant] gemaakte bezwaar en de herroeping van het besluit van 4 april 2008 en de daarop volgende toekenning van zorgtoeslag bij besluit van 29 mei 2009 bestaat dan ook een onverbrekelijke samenhang. Deze besluiten zijn in overeenstemming met artikel 7:11 van de Awb terecht opgevat als de samenstellende bestanddelen van het in heroverweging genomen besluit op het door [appellant] gemaakte bezwaar. 2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat toepassing van artikel 2, vierde lid, van de Wzt, discriminatie als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR met zich brengt. Hij wijst hierbij op een afgesloten zorgverzekering. 2.4.1. Niet in geschil is dat [toeslagpartner] gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 mei 2006 weliswaar rechtmatig in Nederland verbleef, maar dat de procedure bij de Immigratie- en naturalisatiedienst over haar verblijfstatus nog niet was afgerond. Zij verbleef in die periode niet rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000. Dit betekent dat zij in die periode ingevolge artikel 5, tweede lid, van de AWBZ niet van rechtswege was verzekerd. Gelet hierop was zij in die periode ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet niet verzekeringsplichtig als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van deze wet. Reeds nu zij geen verzekeringsplichtige was, kon zij geen zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Zorgverzekeringswet afsluiten.