Rechtspraak Raad van State 2010-10-06
ECLI:NL:RVS:2010:BN9525
Bestuursrecht
200909559/1/H1. Datum uitspraak: 6 oktober 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2009 in zaak nr. 09/295 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college). Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het college aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het veranderen van de panden aan de [locatie] te Groningen (hierna: het perceel) ten behoeve van kamerverhuur. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en alsnog ontheffing ingevolge artikel 2.5.30 van de Groningse Bouwverordening verleend. Bij uitspraak van 27 oktober 2009, verzonden op 30 oktober 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 februari 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2010. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E. Hardenberg, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P. de Vries, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] als partij gehoord. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 27 oktober 2009 in zaak nr. 09/295 voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten; III. bevestigt de uitspraak voor het overige; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groningen tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Groningen aan [appellant] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 223,00 (zegge: tweehonderddrieëntwintig euro) euro) voor de behandeling hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010 163-564. 2.1. Het bouwplan voorziet in het veranderen van de uitbouw aan de achterzijde van de panden [locatie] tot veertien kamers ten behoeve van verhuur. In elk van de kamers bevindt zich een keuken en een toiletruimte. Voorts voorziet het bouwplan in twee gemeenschappelijke doucheruimtes en een gemeenschappelijke ruimte met een wasmachine en droogmachine. 2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning in strijd met artikel 44 van de Woningwet is verleend. Daartoe wijst hij er onder meer op dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "Oranjewijk", aangezien dat slechts één bouwlaag toestaat en het bouwplan voorziet in verandering van een tweede bouwlaag. Naar zijn stelling kan geen geslaagd beroep op het overgangsrecht worden gedaan. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2006, in zaak nr. 200505951/1 in dit verband ten onrechte niet vergelijkbaar geacht. 2.2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oranjewijk" rust op het perceel de bestemming "Stadswoonwijk". Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder 1 en 4, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover van belang, zijn de gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor "Stadswoonwijk" bestemd voor woondoeleinden, waaronder begrepen het wonen in woonschepen, en bedrijven. Ingevolge artikel 5.4, derde lid, dienen de op de plankaart aangegeven minimale en maximale aantal bouwlagen, de korrelgrootte, de vloerindex en het maximale bebouwingspercentage in acht te worden genomen. Ingevolge het vierde lid bedraagt een bouwlaag niet meer dan 3,50 m. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan bestond, en dat afwijkt van het in het bestemmingsplan bepaalde ten aanzien van de toelaatbaarheid van bebouwing, mits de bestaande afwijkingen ook naar hun aard niet worden vergroot en behoudens onteigening, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits dit geen algehele vernieuwing of verandering van het in de aanhef bedoelde bouwwerk tot gevolg heeft. 2.2.2. Vast staat dat het bouwplan hoofdzakelijk ziet op de verandering van de tweede bouwlaag en dat het bestemmingsplan slechts één bouwlaag toestaat. Niet in geschil is dat op het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het bestemmingsplan, mei 1997, de tweede bouwlaag reeds aanwezig was. Het bouwplan betreft nagenoeg uitsluitend een interne verbouwing van de tweede bouwlaag. De muren, de vloeren en het dak blijven evenals de eerste bouwlaag vrijwel geheel intact. Het bouwwerk ondergaat verder geen planologisch relevante functiewijziging, nu het bouwwerk destijds een bedrijfsfunctie had en een woonfunctie krijgt, hetgeen beide op grond van de bestemming "Stadswoonwijken" is toegestaan. De rechtbank heeft gelet hierop met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het overgangsrecht van toepassing is, nu het bouwplan geen algehele vernieuwing of verandering van het bouwwerk betreft. Niet valt in te zien waarom de rechtbank ten onrechte zou hebben overwogen dat de situatie, waarop de uitspraak waarnaar [appellant] verwijst ziet, niet in relevant opzicht gelijk is aan de onderhavige. Dat de Afdeling in die uitspraak ten aanzien van de verbouwing van een loods tot twee woningen, overwoog dat geen sprake was van een gedeeltelijke verandering, maakt niet dat dat thans ook door de rechtbank had moeten worden overwogen, aangezien het hier een andere feitelijke situatie betreft. Het betoog faalt. 2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan niet in strijd met het Bouwbesluit 2003 is. Volgens [appellant] is in strijd met het Bouwbesluit geen energieprestatiecoëfficiënt-berekening gevoegd, zodat niet kan worden beoordeeld of het pand kan voldoen aan de daarvoor geldende grenswaarde van 0,8. 2.3.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid onder a, b, en c, van de Woningwet, voor zover van belang, mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd, indien de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 dan wel voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120, of het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens een zodanig plan zijn gesteld. 2.3.2. Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van het Bouwbesluit heeft een gebruiksfunctie een energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste de in tabel 5.11 aangegeven grenswaarde. Ingevolge artikel 5.14, tweede lid, zijn bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk de artikelen 5.12 en 5.13 niet van toepassing. 2.3.3. In de nota van toelichting behorende bij het Bouwbesluit 2003 (Stb. 2001, 410, blz. 299) is het volgende vermeld: "Artikel 4 van de Woningwet geeft expliciet aan dat bij verbouw de nieuwbouwvoorschriften slechts betrekking kunnen hebben op de verbouwing, dus niet op een reeds bestaand deel van het bouwwerk. Bij de berekening van de energieprestatiecoëfficiënt moet echter het gehele bouwwerk worden betrokken, dus ook de reeds bestaande delen. Om strijd met artikel 4 van de Woningwet te voorkomen, is daarom in het tweede lid bepaald dat bij verbouw geen eisen aan de EPC worden gesteld". Gelet op deze toelichting heeft de rechtbank terecht overwogen dat een energieprestatiecoëfficiënt niet behoefde te worden bepaald, zodat het college terecht in het ontbreken van berekeningen ter zake, geen aanleiding heeft gezien bouwvergunning te weigeren. Het betoog faalt. 2.4. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat bouwvergunning kon worden verleend, ook al waren bij de aanvraag geen constructieberekeningen overgelegd. 2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het onderhavige geval geen constructieberekeningen nodig zijn, omdat in het pand een autobedrijf was gevestigd. Hieruit heeft het college mogen afleiden dat de vloeren van het pand kennelijk zijn berekend op een belasting die hoger ligt dan in het geval van het gebruik van het pand voor kamerverhuur en derhalve niet aannemelijk is dat de constructie niet veilig zou zijn. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de constructieve veiligheid van het pand. Het betoog faalt. 2.4.2. [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de verleende bouwvergunning niet voorziet in een deugdelijke vluchtroute, zodat het in zoverre niet in overeenstemming is met het Bouwbesluit. 2.4.3. Blijkens de bij de bouwvergunning behorende bouwtekeningen is de vluchtroute voorzien over het dak van het gebouw. In de niet onderbouwde stelling van [appellant] bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank deze vluchtroute, die naar het college onweersproken heeft gesteld is goedgekeurd door de brandweer, niet in overeenstemming met het Bouwbesluit heeft kunnen achten. Voor zover [appellant] heeft beoogd te stellen dat thans in afwijking van het vergunde bouwplan een vluchtroute via de winkel is gerealiseerd en dat die onveilig is, wat daar overigens ook van zij, wordt overwogen dat de verleende bouwvergunning daar niet op ziet, zodat de rechtbank daarin geen aanleiding had moeten zien om de bouwvergunning om die reden niet in stand te laten. 2.5.