Rechtspraak Raad van State 2006-11-22
ECLI:NL:RVS:2006:AZ2750
Bestuursrecht
200602000/1. Datum uitspraak: 22 november 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het bestuur van de Mondriaan Stichting, gevestigd te Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1555 van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2006 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats] en appellant. Bij besluit van 5 december 2003 heeft appellant de aanvraag van [wederpartij] om financiële ondersteuning van het tentoonstellingsproject "News from Home" in galerie White Box's Annex (hierna: White Box) te New York afgewezen. Bij besluit van 12 maart 2004 heeft appellant het daartegen door [wederpartij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 februari 2006, verzonden op 2 februari 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen 12 weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van 6 januari 2004 neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 4 mei 2006 heeft [wederpartij] van antwoord gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door [directeur] van de Mondriaan Stichting, bijgestaan door mr. T. ter Brugge, advocaat te Amsterdam, en [wederpartij], bijgestaan door drs. J. Hoven, zijn verschenen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2006 in zaak no. 04/1555; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Wilbers-Taselaar Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006 71-515. 2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Algemeen Reglement financiële ondersteuning projecten van de Mondriaan Stichting (hierna: het Reglement), voor zover hier van belang, wordt onder de Mondriaan Stichting verstaan het bestuur van de Mondriaan Stichting. De Mondriaan Stichting is een stichting als bedoeld in artikel 9 van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid. Ingevolge artikel 2 van het Reglement kan de Mondriaan Stichting (hierna: de stichting) aan belanghebbenden als bedoeld in artikel 3, financiële ondersteuning verstrekken ten behoeve van een project indien naar het oordeel van de stichting het project een positieve bijdrage levert aan het bevorderen van de beeldende kunsten, vormgeving of de kwaliteit van de uitoefening van museale functies en activiteiten, indien is voldaan aan alle formele en materiële vereisten zoals in dit reglement vermeld. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Reglement komen voor financiële ondersteuning uitsluitend belanghebbende publiekrechtelijke rechtspersonen of organen daarvan in aanmerking dan wel belanghebbende privaatrechtelijke rechtspersonen (instellingen of organisaties). Ingevolge artikel 3, vierde lid, van het Reglement kan in zeer uitzonderlijke, bij deelreglement bepaalde, gevallen ook een belanghebbende natuurlijke persoon in aanmerking komen voor financiële ondersteuning. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van het Reglement kan de stichting in deelreglementen nadere vereisten stellen ten aanzien van het verstrekken van financiële ondersteuning. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van het Reglement kan de stichting een aanvraag tot verlening van de financiële ondersteuning ter advisering voorleggen aan een adviescommissie of adviseur. Ingevolge paragraaf 1 van de Regeling voor financiële ondersteuning van presentaties van Nederlandse beeldende kunst of vormgeving in het buitenland (hierna: de regeling) is deze regeling een deelreglement als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Reglement. In voormelde paragraaf 1 staat voorts vermeld dat de stichting, stimuleringsfonds voor beeldende kunst, vormgeving en museale activiteiten, een presentatie van hedendaagse beeldende kunst en vormgeving in het buitenland kan ondersteunen. Ingevolge paragraaf 2 van de Regeling, voor zover hier van belang, kan een aanvraag worden ingediend door organisaties die rechtspersoonlijkheid bezitten. De aanvraag voor financiële ondersteuning wordt bij voorkeur gedaan door de buitenlandse instelling waar de presentatie plaatsvindt of die de presentatie organiseert. Als de buitenlandse instelling naar het oordeel van de stichting niet in staat is een aanvraag in te dienen, kan de stichting bij wijze van uitzondering een aanvraag in behandeling nemen die door de kunstenaar in samenwerking met de betrokken buitenlandse instelling wordt gedaan. Ingevolge paragraaf 4 van de Regeling is onder meer vanwege de beperkte hoeveelheid beschikbare middelen selectie noodzakelijk. Daarom zullen aanvragen in de regel, na een formele toetsing, aan deskundige adviseurs worden voorgelegd. Bij de beoordeling wordt in de eerste plaats gekeken naar het belang van de buitenlandse presentatielocatie. De betekenis van de locatie blijkt onder meer uit een artistiek-inhoudelijk interessante programmering, een internationaal presentatiebeleid en het bereik onder het (vak)publiek en in de vakpers. Bovendien moet de locatie een meer dan lokaal of regionaal belang hebben in het land van vestiging. Een beoordeling van de locatie is het belangrijkste punt van beoordeling, overige criteria en voorwaarden zijn hieraan ondergeschikt. Naast voornoemde beoordelingsgrondslag geldt in ieder geval onder meer als vereiste dat er draagvlak is in het buitenland, wat blijkt uit een aan het project voorafgaande vraag van een buitenlandse instelling en de aanwezigheid van substantiële buitenlandse cofinanciering van de totale projectkosten. 2.2. Bij besluit van 5 december 2003 heeft appellant de aanvraag van 14 oktober 2003 van [wederpartij] om financiële ondersteuning van het tentoonstellingsproject "News from Home" in de galerie White Box te New York wegens een onvoldoende promotionele werking afgewezen. Daarbij heeft appellant verwezen naar het deskundig advies van de adviescommissie Kunsten Internationaal (hierna: de adviescommissie) van 2 december 2003, dat aan het besluit ten grondslag ligt. Criteria die bij de beoordeling van de aanvraag worden gehanteerd zijn ondermeer het belang van de buitenlandse tentoonstellingslocatie en het draagvlak in het buitenland. In de beslissing op bezwaar van 12 maart 2004 wordt voornoemde afwijzing - met inachtneming van een (nader) advies van de adviescommissie van 24 februari 2004 - gehandhaafd. 2.3. In hoger beroep wordt het oordeel van de rechtbank betwist dat de beslissing op bezwaar wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:9 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden vernietigd. 2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 18 maart 1997, inzake Mantovanelli tegen Frankrijk, gepubliceerd in JB 1997, 112, (hierna: het Mantovanelli-arrest) heeft overwogen dat appellant het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op tegenspraak heeft geschonden, nu [wederpartij] niet in de gelegenheid is gesteld haar standpunten nader toe te lichten bij de adviescommissie vóór het uitbrengen van het advies en niet in staat is gesteld commentaar te leveren op dit advies voorafgaand aan het bestreden besluit. Appellant stelt zich ervan te hebben vergewist dat de adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en heeft vervolgens de adviezen in zijn overwegingen betrokken. 2.5. Dit betoog slaagt. In het Mantovanelli-arrest is geoordeeld dat indien een rechter een vraag die betrekking heeft op een (technische) kwestie ter zake waarvan hij niet deskundig is, ter beantwoording voorlegt aan een deskundige in een geschil waarin de betrokken vraag identiek is aan de vraag waarover de rechter heeft te beslissen, het beginsel van hoor en wederhoor, zoals dat geldt voor de rechterlijke procedure, is geschonden indien partijen hun standpunt over het deskundigenrapport niet kenbaar hebben kunnen maken, voordat de deskundige zijn rapport bij de rechter indient. Hiermee wordt ten behoeve van een eerlijk proces beoogd te waarborgen dat de rechter het standpunt van partijen op adequate wijze in zijn oordeel betrekt. Bij de aanwending van de hem toegekende bevoegdheden beschikt het bestuur veelal, zoals ook in dit geval, over eigen materie-deskundigheid en voor de fase van de bestuurlijke besluitvorming gelden andere normen dan voor de procedure bij de rechter. In die fase staat centraal, de gehoudenheid van het bestuur actief de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. Indien het bestuur zich daarbij, zoals in het onderhavige geval, wenst te doen bijstaan door een uit ter zake deskundigen bestaande adviescommissie in de zin van artikel 3:5, eerste lid, van de Awb, dient het zich ervan te vergewissen dat de commissie op zorgvuldige wijze het ter beantwoording van de voorgelegde vraag gevergde onderzoek heeft ingesteld en dat haar advies gedragen kan worden door de resultaten van dat onderzoek. Het ligt op de weg van het bestuur om in het kader van die beoordeling belanghebbenden gelegenheid te geven te reageren op het advies, waarbij zij desgewenst een tegen-advies kunnen overleggen. Appellant heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank hier ten onrechte het Mantovanelli-arrest van toepassing heeft geacht. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, vergde een zorgvuldig onderzoek niet dat [wederpartij] in de gelegenheid werd gesteld haar standpunt nader toe te lichten bij de adviescommissie vóór het uitbrengen van het advies. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming door appellant in strijd is met het bepaalde in artikel 3:9 van de Awb.