Rechtspraak Raad van State 1999-03-08
ECLI:NL:RVS:1999:AE3443
Raad van State H01.98.1463. Datum uitspraak: 8 maart 1999. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de gemeenteraad van Harderwijk appellant tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 24 juni 1998 in het geding tussen: ][bezwaarde 1 en 2] te [woonplaats] en appellant. 1. Procesverloop Bij besluit van 25 maart 1997 hebben burgemeester en wethouders van Harderwijk ingevolge artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) aan appellant een voorstel gedaan om onder meer percelen van [bezwaarde 1 en 2] (hierna te noemen: [bezwaarde]) aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Tegen dit besluit heeft [bezwaarde] bezwaar gemaakt bij burgemeester en wethouders. Bij besluit van 15 mei 1997 heeft appellant onder meer de gronden van [bezwaarde] aangewezen in vorenbedoelde zin. Het bezwaar dat [bezwaarde] tegen het besluit van 25 maart 1997 heeft gemaakt wordt ingevolge artikel 9a, tweede lid, van de Wvg geacht te zijn gericht tegen het raadsbesluit van 15 mei 1997. Bij brief van 8 juli 1997 hebben burgemeester en wethouders [bezwaarde] bericht dat appellant in zijn vergadering van 3 juli 1997 het bezwaar ongegrond heeft verklaard. Deze brief is aangehecht. Bij uitspraak van 24 juni 1998, verzonden op 2 juli 1998, voorzover hier van belang, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [bezwaarde] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 31 juli 1998, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 1998, spoedshalve hoger beroep ingesteld. Het desbetreffende besluit is door appellant in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigd. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 augustus 1998. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 20 oktober 1998 heeft [bezwaarde] een memorie van antwoord ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellant. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr J.F. de G., advocaat te Amsterdam, en B. S., ambtenaar van de gemeente, en [bezwaarde], vertegenwoordigd door mr H.W. V., advocaat te Rotterdam, zijn verschenen. Overwegingen Artikel 8 van de Wvg luidde tot 1 januari 1998, ten tijde als hier van belang, als volgt: "1. De gemeenteraad kan bij met redenen omkleed besluit gronden aanwijzen waarop van toepassing zijn de artikelen 10, met dien verstande dat de in het tweede lid, onder d, bedoelde verplichting moet zijn ontstaan voor de dagtekening van dat besluit, 11-24, 26 en 27, voor zover die gronden nog niet zijn opgenomen in een ter inzage gelegd ontwerp van een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of van een bestemmingsplan, waarbij aan de betrokken gronden een gewijzigde bestemming wordt toegedacht onderscheidenlijk gegeven. Bij het raadsbesluit behoort een kaart waarop de betrokken gronden en de aan die gronden toegedachte bestemming zijn aangeduid. 2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid komen alleen in aanmerking gronden waaraan bij dat raadsbesluit een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. 3. Op het in het eerste lid bedoelde besluit is artikel 2, derde lid, van toepassing en is artikel 4 van overeenkomstige toepassing. 4. Het in het eerste lid bedoelde besluit geldt voor een termijn van ten hoogste twee jaren, te rekenen van zijn dagtekening. (...)." Artikel 2a, eerste lid, van de Wvg luidde ten tijde als hier van belang als volgt: "Een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 8, eerste lid, kan genomen worden door de raad van een gemeente, waaraan zelfstandig of samen met andere gemeenten blijkens nationaal of provinciaal ruimtelijk beleid uitbreidingscapaciteit is toegedacht of ge